HomeHet Noordzee-kanaalPagina 53

JPEG (Deze pagina), 0.96 MB

TIFF (Deze pagina), 7.98 MB

PDF (Volledig document), 47.95 MB

I
xxx J
Wij gevoelen intusschen zeer wel, dat Uw Bestuur zich heeft te stellen op het
ongunstigste standpunt, dat van iederen geldschieter, en zich derhalve af te vragen,
welke zekerheid het erlangt van terugbekomen of verhaal van de verleende of
voorgeschoten sommen onder elke omstandigheid, dus ook in het onverhoopt geval,
dat de Maatschappij hare onderneming niet volvoeren mogt, en dus buiten staat
wezen de verkochte tollen te leveren en door verrekening met den koopprijs het
voorschot terug te geven.
Op die vraag ligt -­ meenen wij - een volkomen bevredigend antwoord voor
de hand. Immers bijaldien onverhoopt de Maatschappij in den tegenwoordigen
stand der zaak of binnen kort het werk opgeven mogt, dan moge geene zekerheid
nog bestaan, dat het door den Staat zou worden voortgezet, ondenkbaar, zoo niet
onmogelijk, schijnt het, dat bij een te kort schieten van de krachten der Maat-
schappij na korteren of langeren tijd, wanneer de sluizen aan beide uiteinden van
het Kanaal en de droogmaking van het Wijkermeer alligt nagenoeg voltooid, het
Y afgesloten, de doorgraving in duin bijna gereed en de havenhoofden op aanmer-
kelijken afstand uitgebragt zün zullen, de Staat een werk, waaraan zooveel milli-
oenen schats besteed zijn, renteloos zou laten liggen, een werk niet opvatten, waaraan
hij zelf, wegens het belang èn van de koopvaardijvaart èn van de RUks­Marine, zoo
) volstrekt behoefte heeft. Wij gelooven aldus dat ook de Raad van de onderstel-
ling mag en zal uitgaan, dat, zelfs dan Wamlêer de Maatschappij daartoe niet bij
magte blijken mogt (een geval, dat bij het tot stand komen van de aanhangige
financiële regeling met Stad en Land mede nagenoeg ondenkbaar wordt), de
onderneming door den Staat, ingevolge art. 34 en 35 cz der Concessie, zou worden
overgenomen tegen vergoeding van de getaxeerde waarde onder korting van 20 ten
honderd. -
j Indien wij nu aannemen dat dit plaats vond op het voor de Gemeente ongun-
stigste tijdstip, t. w. wanneer zij de volle 6 millioen gulden Stedelijke Schuld zal ‘
hebben voorgesehoten, zoo is het duidelijk dat de toestand deze zijn zal: boven de
, nu voor onteigening en verrigt werk of aangevoerde materialen bestede zes millioen
Q gulden zal dan, ingevolge art. 7 van het Ontwerp­Contract, een bedrag van 10 mil­
Q lioen gulden zijn uitgegeven.
Bij de laagste taxatie zal ongetwijfeld de vergoeding, door den Staat te betalen
weer hetgeen de vrucht is van 16 millioen gulden, zelfs na korting van 20°/0 eu
na aftrek van de sedert Januarij of Julij l867 betaalde rente, ruim toereikende
l zijn tot dekking van de schuld der Maatschappij aan de Gemeente van vijf millioen
gulden reëel. Naarmate nu het ondersteld geval van te kort schieten der krachten
van de Maatschappij V1‘0Gger plaats vinden mOgt, 2011 de zekerheid van verhaal voor
de Stad van het voorschot te grooter zijn, eensdeels omdat dan door haar zooveel
minder nog betaald, en door den Staat voor rente zooveel minder nog verstrekt
zijn zou, anderdeels omdat al de waarde, thans reeds aanwezig in onteigenden
grond, werk, water, materialen enz., waartegenover op dit oogenblik nog geenerlei
schuld hoegenaamd staat, mede zou blijven tot onderpand voor die veel kleinere
schuld, en deze dus zooveel te ruimer dekken zou. j
Wij meenen hiermede genoeg betoogd te hebben, dat de Stad onder alle denk-
bare omstandigheden voor het terugbekomen van het geleende geld behoorlijk ge- l
waarborgd is, en zouden hiermede onze toelichting kunnen besluiten, voorzagen wij l
niet, dat de Raad de vraag zal doen, in hoeverre de hulp, welke hij langs den thans
voorgestelden weg aan de Maatschappij bieden zou, het doel zal doen bereiken, j
i
!W
J