HomeLauwerzee-plannenPagina 30

JPEG (Deze pagina), 906.16 KB

TIFF (Deze pagina), 8.41 MB

PDF (Volledig document), 61.67 MB

_ gw _ jjgg gg op g__v__T_w______gW www _ _
28
A hoogte. Uit het onderzoek bleek verder (blz. l38) dat in
het onderstelde geval het gemaal slechts twee getijen in
werking zou zijn geweest. Gaat men de standen van den
4 bergboezem na, volgens de staten van Bijlage E, dan blijkt
dat het stoomgemaal juist in werking zou zijn geweest op
den dag voorafgaande aan dien, waarop de hoogste boezem-
stand voorkwam. Zonder bemaling zou dus de hoeveelheid
water in den Groningschen boezem, op den dag van den
» hoogsten stand, juist met het bedrag zijn vermeerderd ge- i
weest, dat door het stoomgemaal werd uitgeslagen.
Schat men den boezem bij den maximumstand op .
2400 H.A. dan zou het weglaten van het stoomgemaal
Groningens boezem verhoogd hebben met ll c.lVl. en deze
dus gerezen zijn tot 67 c.lVl. 4- Wk.P.
Aangenomen dat het economisch niet juist zou zijn om
voor Groningen een stoomgemaal op te richten, is het de
vraag waardoor het meeste nadeel wordt aangericht, door
het stijgen van Frieslands boezemstand van 27 c.l/l. Jr Z.P­ ‘
tot 29 c.lVl. ·i- ZP. of door het rijzen van Groningens boezem
van 49 c.lVl. + Wk.P. tot 67 c.l`·/l. + Wk.P. Hiertoe worden
ons nadere gegevens verstrekt op blz. H6 en II7 van dit
verslag, waar het oppervlak der boezems wordt aangegeven ,­
bij verschillende standen. Hieruit blijkt eene toename van r
3900 H.A. van Frieslands boezemoppervlakte bij eene rijzing _ j
van 27 tot 29 c.lVl. + ZP. terwijl Groningens boezem bij 1
een rijzing van 49 tot 67 c.lVl. rl- Wk.P. slechts eene toe~
name vertoont van 5l5 H.A. Wij meenen grond te hebben
om aan te nemen dat bij de berekening van Frieslands
boezemoppervlak bij verschillende boezemstanden de toename
wegens het hellen der slooten niet in aanmerking genomen l
is; dat dus deze toename uitsluitend moet beschouwd
r worden als eene toename van het overstroomde gebied. {
M Daarentegen is voor dezelfde berekening voor Groningen l
de toename van den boezem geheel of gedeeltelijk gevon­ `
den in toename van het wateroppervlak der slooten. Daarbij