HomeDe Maas, de Zuid-Willemsvaart en de wateraftappingen in BelgiëPagina 74

JPEG (Deze pagina), 734.49 KB

TIFF (Deze pagina), 6.42 MB

PDF (Volledig document), 55.79 MB

ii
GG
gen zoovele redenen tot klagten geven. Het is wel het
M '_­* . beste bewüs, dat bij het Departement van Buitenlandsehe
irl; Zaken, bij den Minister zoowel als bij onzen gezant in
België, bij dien geheelen tak van dienst in één woord, T
g een gebrek aan energie en zaakkennis bestaat, die dubbel
· lakenswaard is, als het zoo hooge belangen geldt. Terwijl M
de heeren van Soivsnnnck en van HALL met kracht onze
e p belangen en regten hebben getracht te verdedigen, hebben
ik j de twee laatste Ministers van Buitenlandsche Zaken den
t dnnk doen verspreiden, dat Neerlands Staatslieden de
·- aanspraken van België niet ongegrond achten. Zij voerden
beweringen aan, zoo als de heer vm Gomsrmn in de
zitting der Tweede Kamer van 26 November 1858 heeft
gedaan: <<het is voor ieder duidelijk, dat wanneer het
»water onttrokken wordt aan de rivier, daardoor de be- j
>>vaarbaarheid minder wordt; maar van eene andere zijde
j >>wordt wel weder beweerd, dat door zamenpersing van
j »vvater meer water is gebragt op het zoogenaamde canal
>>Zatéral en daardoor meer water is lcamzea worden gevoerd
_ op de rivier de Maas.»
i In de eerste plaats is het onbegrijpelijk, hoe men op A
il Vi zich zelf kan beweren, dat door opstuwing en zamenper­
H sing van water eene grootere hoeveelheid ontstaat en op
? dezelfde rivier kan worden gebragt. Maar een ieder weet,
, dat geen enkele droppel van de massa water, die te Luik
ii ij door de barrage wordt tegengehouden en daarna met groot j
g, geweld door de sluizen te Maastricht stroomt, het beneden- il
H gedeelte bereikt. Dagelijksohe opmetingen en opnemingen
i E t
i=‘ TQ ik