HomeDe Maas, de Zuid-Willemsvaart en de wateraftappingen in BelgiëPagina 51

JPEG (Deze pagina), 661.16 KB

TIFF (Deze pagina), 6.42 MB

PDF (Volledig document), 55.79 MB

_,·` _‘,.4. a
der moeten inslaan, maar een zelfstandig onderzoek naar Z Ci
den stand der zaak door Nederlandsche deskundigen doen
voorafgaan. Nu had men zich in een labyrinth van moge-
lüke transactiën verward en dat wel tegenover eene Bege-
ring, wier belang het volstrekt niet was tot eene afdoe­ .
j ning der zaak te geraken. Die kundige afgevaardigde heeft
.i daarin zeer juist gezien.
Toen ik kennis had gekregen van de overgelegde olüciële
stukken, nam ik de vrijheid aan de Leden der Kamers
eene nota mede te deelen over den wezenlijken stand der
zaken op dat tijdstip (50 Mei 1856), waarbij tevens de
beweringen van de Belgische ingenieurs nader werden
wederlegd. Daarbij waren gevoegd twee plans, die den
stand der zaak duidelük leerden kennen.
Bij de behandeling van de begrooting voor 1857 in het
j najaar van 1856 werd de zaak in de sectiën van de beide
l Kamers besproken. In de Eerste Kamer heb ik bij de
discussie van Hoofdstuk III met kracht op handelen aan-
jl gedrongen en vooral de jaarlüksche sluiting van de Zuid-
l VVillemsvaart besproken.
Intusschen begon de pers zich aan de zaak gelegen te
i laten liggen en vooral de Limburgsche en Rotterdamsche
j bladen drongen op afdoening aan.
In de maand Mei 1857, bij de behandeling van de be-
grooting voor Binnenlandsche Zaken , kwam de heer Tnon­
j nnckn op züne afkeuring van het benoemen eener gemengde
commissie terug. De opvolger van den heer Sinoivs, de E
jj heer van Hari-Ann, meende dat een onderzoek het best
ij
l · I Q
ll ­ _ = ,-._ ,¤¤-=»·« -­~­·- ‘ `·i " ‘·‘ ik