HomeDe Maas, de Zuid-Willemsvaart en de wateraftappingen in BelgiëPagina 25

JPEG (Deze pagina), 676.64 KB

TIFF (Deze pagina), 6.38 MB

PDF (Volledig document), 55.79 MB

Q ‘-·· ­ = ‘‘·· r ‘ arq;;.a:«e:, =z-;; h
17 ‘
B tegen het voorgenomen werk op den 29 December 1850
door den Minister van Buitenlandsche Zaken, ter kennis _,
van de Belgische Regering waren gebragt. De Belgische Mi- ‘·
nister Boeien beantwoordde den 220 Januarü 1851 schrif­ g
telük de gemaakte bedenkingen. Hü zeide «dat België bij g
eene gemakkelijke en onbelemmerde scheepvaart minst ge-
nomen evenveel belang had als Nederland; dat het de toe· ‘
stemming van Nederland niet behoefde voor het voorgeno­
men werk en dat alleen voor het geval dat eenig werk
inderdaad een ernstig Nederlandsch belang zou schaden,
de wellevendheid en de billijkheid eene dergelijke toestem­
A ming zouden vorderen.» In eene nota, daarbij gevoegd, V Q;
werd de zaak ook op een verkeerd terrein gebragt en voort­ `
gi durend gesproken van het voornemen van België om wer­ Z
ken aan te leggen op den regtewkanaaloever, terwül onze
bezwaren juist gerigt waren tegen de vergrooting der
waterleiding op den linkeroever van het kanaal. De steller ,,,
der Belgische nota sprak zich daarbij telkens op een ander e·
punt tegen , omdat l1ij volhield, dat de bestaande en verder l
uit te voeren werken geene meerdere strooming in de
u Zuid­Willemsvaart zouden veroorzaken, terwül elders in 4
datzelfde rapport wel degelijk het ontstaan van eene meer
dere strooming werd erkend. j
In die nota werd nog als aanleiding tot het werk op- i
gegeven , de nieuwe, zoo in België als in Holland in het j
leven geroepen behoeften van den landbouw. In het voor- {
bügaan moeten wij hier opmerken, dat op Nederlandsch J
grondgebied wel eenige irrigatien aanwezig zijn, die door
2 .
J , _ . , .·._ ­,,..· ~«­···­~ ..a· L gfál . 4;