HomeDe zelfstandigheid van het provinciaal bestuur, volgens de GrondwetPagina 9

JPEG (Deze pagina), 785.12 KB

TIFF (Deze pagina), 6.75 MB

PDF (Volledig document), 27.80 MB

377
Kroon verleend als regt van toezigt, al ligt doet overslaan
in een regt van mederegeren. De leden der provinciale Sta-
ten en gemeentebesturen zgn verpligt tegen deze uitbrei-
ding der centrale regeermagt te waken. ­- Zelfstandigheid
in provinciale en plaatselijke besturen is niet alleen constitu-
tioneel en liberaal, maar bij uitnemendheid conservatief -
De zelfstandige werkkring van provinciale Staten en ge-
, meentebesturen is de beste kweekschool voor zelfstandige
leden der algemeene volksvertegenwoordigingf` Omtrent de
vraag zelve, hierboven door mg gesteld, antwoordt de schrü-
ver ontkennend. ,, Terwijl het grondwettig woord van art.
131 der tegenwoordige Grondwet, in overeenstemming met
art. 144 en 150 der (vroegere) Grondwet, bepaalde , dat de
wet zich niet zoude bemoeijen met het provinciaal huishou-
den , maar dat de wet de regeling en het bestuur daarvan
i‘ aan de provinciale Staten zoude overlaten, heeft de Pro-
vinciale wet het grondwettig voorschrift zoodanig gewijzigd,
dat de wet aan de Staten de regeling en het bestuur toe-
kent 1net onderscheidene beperkingen, - iets waartoe de
wetgever grondwettig onbevoegd was.” Zie pag. 569.
Ten opzigte van de praktijk merkt de schrüver op , dat
het toezigt van de Hooge Regering dikwijls ontaardt in
medere geren en dat het strüdig met de beginselen der
Grondwet en Provinciale wet is, wanneer de goedkeuring
‘ aan provinciale verordeningen en begrootingen wordt onthou-
den, alleen op grond van het provinciaal belang. Zie pag. 234.
Ik zal straks de büzondere voorbeelden behandelen, welke de
schrnver als bewijs voor zijne stellingen aanvoert, maarwensch
eerst mijn gevoelen omtrent de beginselen der Grondwet
mede te deelen. Aan de Staten wordt, ingevolge art. 131 der
Grondwet, de regeling van het provinciaal huishouden over-
gelaten, maar dit geschiedt door de wet, gelijk er wordt bg-
gevoegd: en deze bijvoeging brengt te weeg, dat de wet al-
tüd eenige ruimte zal moeten hebben in het bepalen der
grenzen. Ook is regeling en bestuur nog geene volstrekte
beschikking; terwijl de uitdrukking minder omvattend is dan
hetgeen in art. 144 der vorige Grondwet gelezen werd: aan