HomeDe zelfstandigheid van het provinciaal bestuur, volgens de GrondwetPagina 7

JPEG (Deze pagina), 767.35 KB

TIFF (Deze pagina), 6.80 MB

PDF (Volledig document), 27.80 MB

ë
L l
375 J
minister , namens den Koning, gemaakt, en dan kan men ·
elke aanmerking eene bedreiging noemen , dat, wanneer aan i
haar inhoud geen gehoor wordt gegeven, de Koninklgke j
goedkeuring niet zal volgen. In dit opzigt alzoo schgnt in
1851 niets gebeurd te zgn , dat met den geest der Grondwet
è strijdig is. Meer ben ik het met den schrgver eens , als hg i
op pag. 568 betoogt , dat de minister niet in don geest on- j
f zer staatsinstellingen handelde, toen hij in 1851, op zgn j
eigen naam , niet namens den Koning , aanmerkingen op de i
ontworpen instructie aan de Staten van Noord­Ho1land mede- t
deelde. Maar op dit punt, meer in het algemeen beschouwd,
komen wij later terug.
De griffier wordt door de Staten benoemd; zgne instruc-
tie wordt door de Staten vastgesteld. De schrijver juicht i
deze bepalingen toe, want ,, evenzeer als de onafhankelgke '
i stelling der Staten-Generaal medebrengt, dat de griffier door
2 hen benoemd wordt, evenzoo wordt dit gevorderd door de
zelfstandigheid, die de Grondwet aan de provinciale Staten
toekent ,” pag. 558. Hoewel ook ik geheel met deze bescl1ou­
wing instem, zal toch eene kleine opmerking te dezer plaatse
j niet ongepast zgn. Het ontwerp van de Provinciale wet,
door den Heer de Kempenaer ingediend, wordt door den
schrgver herhaaldelgk verdedigd. Misschien te regt: het
j Voorloopig verslag van de Tweede Kamer luidde zeer scherp
j afkeurend. Maar, als de schrijver zegt dat ,, dit ontwerp
~ j zich naauw aan de grondwettige bepalingen hield” (pag. 550),
§ heeft hg voorzeker art. 98 van het ontwerp de Kempenaer
i niet voor den geest gehad, alwaar bepaald wordt, dat de
{ griflier door den Koning zal worden benoemd uit eene lgst
i van drie eandidaten, door de Staten opgemaakt. De Heer
. de Kempenaer gaf alzoo , even als de Heer Thorbecke, van
tgd tot tgd te veel aan centralisatiezucht toe.
[ De schrijver zegt , dat de verhouding van den griffier tot
den Commissaris des Konings niet duidelgk door art. 41 der
Provinciale wet geregeld is (pag. 558). Beter ware het,
i dunkt mij, te zeggen, dat die verhouding niet go ed gere-
j geld is en dat de noodzakelgkheid der praktijk veelal, in
F
u
i