HomeDe zelfstandigheid van het provinciaal bestuur, volgens de GrondwetPagina 32

JPEG (Deze pagina), 778.15 KB

TIFF (Deze pagina), 6.80 MB

PDF (Volledig document), 27.80 MB

« 1
1i
Z lt
‘ i E1
1; il
Z
j 400 g,
‘ da.t de uitvoerende inagt bij den Koning berust en waarvan
ligt misbruik kan gemaakt worden , indien men niet tevens
j art. 130 in het oog houdt. - Zoo immer geldt het hier een Tj
l moeijelijk vraagstuk en de geheele redenering van den schrü­ fl
ä ver verdient gelezen en herlezen te worden. De moeijelükheid
` schi`nt mi` daarin te licr<>‘en dat er geene volkomen overeen- i'
1 .l bb > e~ E
l stemming is tusschen die artikelen 54 en 130. De herinne-
1 ring aan vroegere toestanden, de begeerte om schünbaar *,
· . . . l
1 liberale be vahn een uit vroegere <>·rondwetten over te nemen 1
C 23 D 7 j V
5 hebben art. 130, in zijne tegenwoordige gedaante, eene
1 . 1
Z plaats in de Grondwet van 1848 verschaft. De behoefte,
1 . . 1
g die de nieuwere Europesche staten meer en meer gevoelen j
‘ om eene krachtige centraahna¤‘t te bezitten deed art. 54 l
., e ¤ ,
1 o nemen. Diezelfde behoefte ‘eett uitbreidincr aan de wer- l
. Q
' king van art. 54 en doet de werking van art. 130 inkrimpen.
l . • .. • l
Handhaving van art. 130 , in zijne volle kracht, kan in de j
­ theorie wenschelük schijnen: in de praktijk zal het blüken
aan groote zwarigheden onderworpen te zgn. Art. 54 moet
l
l ingeroepen worden om die kracht te temperen. Zonder de S
1 . . . . 1
uitvoering in handen van het centraal gezag is geen krach-
t tige staat denkbaar. De Bosch Kemper schijnt nog eenige
waarde te hechten aan provinciale reglementen , tot uitvoe- 0
j ring der algemeene wetten, waaruit dan eenige wijziging
V naar Jlaatselike omstandi heden zal ontstaan. 1VIaar komt
l· J j
1 het gevoel onzer volkséenheid niet krachtig op tegen het
l» . . . 1
jï denkbeeld, dat de algemeene wet in de eene provincie ge- 2
li heel anders dan in de andere zal worden toege ast? En
1. . .. . . ° 3
j zoude in de vrije uitvoering door de Staten geen gereed j
Y middel liggen, om de bedoelingen der wet naar lokale inzig- J
j ten te verdraaijen? Mij dunkt, de algemeene wetgever had
if geen ongelijk, toen hij de uitvoering van de wet op het jf
lager onderwijs voor een groot deel aan de Staten onttrok;
anders zoude die wet voorzeker geheel anders in Noord- 9
j Braband dan in Drenthe zün toegepast. En welk str11ikel­ 1
¥ blok zoude wei erincr van medewerkin aan het centraal
. ¤ te
1 bestuur kunnen berokkenen, indien het niet des noods met 1
jï art. 129 der provinciale wet gewapend was en de uitvoering 1
l 1
11 1 1
I
l