HomeDe zelfstandigheid van het provinciaal bestuur, volgens de GrondwetPagina 31

JPEG (Deze pagina), 734.52 KB

TIFF (Deze pagina), 6.83 MB

PDF (Volledig document), 27.80 MB

399
een hoogstbekwaam atgevaardigde werd beweerd: hij moet
zich onthouden van de beoordeeling dier punten, welke be-
hooren tot de uitsluitende bevoegdheid van den Koning en
de Staten.
5 lVIen zal uit het aangevoerde ligtelük opmaken, dat ik over
het algemeen de klagt als ongegrond beschouw, alsof aan de
Staten , de regeling van het provinciaal huishou-
den, niet die bevoegdheid wordt gegeven, welke in den geest
der Grondwet ligt. Ik geloof, dat men niet is afgeweken van
de beginselen , die met zooveel juistheid in art. 99 der Pro-
vinciale wet deden ne<lerscln·ijven: ,,Onze (des Konings) goed-
keuring wordt verleend of onthouden aan de verordening
in haar geheel, geluk door de Staten is vastgesteld.”
_ HI. Ik ga thans over tot eene derde vraag, of aan de
Staten , bij de VVet Gll in de praktük, die bevoegdheid wordt
toegekend, welke aan hen , ten aanzien van de uit voe-
ring der wetten en het toezigt op de plaatselijke
besturen, toekomt. De schrijver is van gevoelen dat ,,ook
in de provinciale uitvoering der algemeene wetten , volgens
den geest der Grondwet, eene zekere ruimte en onafhanke-
j lijkheid van toepassing gehandhaafd moet worden.”
meent dat ,,wanneer ook bij de uitvoering der wetten deze
zelfstandigheid der provinciale vertegenwoordiging geëer-
biedigd wordt, de uitvoerende magt der provinciale Staten
zeer nuttig kan zijn, daar eenige wijziging naar plaatse-
lüke omstandigheden toelaat.” Aan dien eiscb voldoet de
loop der zaken zeer weinig. Art. 128 der Provinciale wet
i verleent aan het centraal gezag de bevoegdheid om aan de
Staten algemeene voorschriften en bevelen te geven omtrent
de uitvoering der wetten; en van die bevoegdheid wordt
zonder schroom gebruik gemaakt. De kring van werkzaam-
heden der Staten wordt kleiner C11 kleiner. De vroegere wet
op het onderwüs liet groote ruimte aan de uitvoering der
Staten; de tegenwoordige heeft hun bijkans niets overgelaten
dan de toepassing van art. 36 der lVet. BQ het middelbaar
onderwijs is niets aan het provinciaal bestuur opgedragen.
`l)e selirijver wijst op art. 5-L der (ärondwet. hetwelk zegt,