HomeDe zelfstandigheid van het provinciaal bestuur, volgens de GrondwetPagina 28

JPEG (Deze pagina), 749.55 KB

TIFF (Deze pagina), 6.83 MB

PDF (Volledig document), 27.80 MB

V `
l i
[ 5
`
" 396 j
1
Verder noemt de schrüver ,, het weinig stelsehnatig, dat 4
, de Gemeentewet de straffen inhoudt op de overtreding der
i plaatselüke verordeningen en dat zulks niet het geval is in
T de Provinciale wet ten opzigte van provinciale verordenin-
i gen, waarop art. 2 e11 3 der VVet van 6 Maart 1818 toe-
j passelijk blijven.” Zie bladz. 571. Ik ben het in de hoofdzaak
l eens met hetgeen de schrijver daaromtrent zegt. In het ont-
. werp van de ‘Kempenaer werd eene bepaling van dien aard
: gevonden. In het verslag der commissie van rapporteurs uit
de Tweede Kamer der Staten Generaal leest men op art. 54:
1 van dit ontwerp: ,,Het scheen dat de bevoegdheid om in
hunne reglementen straffen te bedreigen aan de provinciale
, Staten moest worden ontzegd. De provinciale Staten maken
l de verordeningen, maar de straffen op de overtredingen
l dier verordeningen moeten in het algemeen wetboek van
l strafregt zün vervat. Evenmin als de gemeentebesturen,
i zün de provinciale Staten goede strafRvetgevers.°° In het ont-
I werp van Thorbecke kwam, waarschünlnk tengevolge van
deze aanmerking , dan ook geen artikel voor, overeenstem-
mende met zoo even genoemd art. 54 van het ontwerp de
Kempenaer. Het gevoelen door rapporteurs uitgedrukt,
was op zich zelf geenszins verwerpelijk: de algemeene straf?
_ wetgever behoort ook de soort @11 de maat van de straffen
te bepalen, die provinciale en gemeentebesturen op hunne
j verordeningen kunnen bedreigen. Praktisch evenwel ontstond
`A daardoor een onregelmatige toestand, omdat de definitieve
W vaststelling van een nieuw strafwetboek in het verre ver-
schiet lag en het min wenschelijk scheen aan de IV et van G
hïaart 1818 een voortdurend bestaan te verzekeren. Het was
alzoo verkeerd, dat de minister Thorbecke aan de aanmer­ .
king van rapporteurs op het vorig ontwerp gevolg gaf. Later
i zag hij misschien de fout in en nam lin, bn züne voordragt
van de Gemeentewet, een lijnregt tegenovergesteld beginsel
aan. Daaruit ontstaat nu een gemis aan overeenstemming
tusschen beide wetten, dat, wel is waar, het geheel onzer
organieke wetgeving ontsiert, maar toch niet al te streng
gegispt behoort te worden, als men in aamnerking neemt,

l
l
'