HomeDe zelfstandigheid van het provinciaal bestuur, volgens de GrondwetPagina 16

JPEG (Deze pagina), 770.60 KB

TIFF (Deze pagina), 6.94 MB

PDF (Volledig document), 27.80 MB

A
j 384
1 848 de voorkeur verdiende hoven de tegenwoordige bepaling
der Grondwet en vind het jammer , dat die redactie niet is
aangenomen. De bezwaren echter tegen den tegenwoordigen .
J toestand van zaken vind ik wel eenigzins overdreven voor-
gesteld. Ik weet niet, of ik den schrijver goed begrijp: zoo
_ ja , dan zoude ik denken dat de tegenspraak, welke hij vindt,
voortspruit uit eene verkeerde uitlegging door hem gegeven
aan de woorden begrooting der enkel provinciale
en huishoudelijke inkomsten en uitgaven in art.
129 der Grondwet: die woorden hebben in de b ed 0 el in g
v a n d e n G r 0 n d w e t g e v e r nooit kunnen beteekenen ,
l dat alle kosten van regeling en bestuur van het provinciaal
5 huish ou den op die begroeting zouden komen. Daarom
wordt bij hu i s ho udelij k, tot nadere bepaling , nog het
woordje enkel gevoegd. Integendeel, het gewone provin-
I ciaal bestuur , zoo lang het zich niet uitstrekt tot bijzondere
provinciale inrigtingen , gelijk zijn door de provincie aange-
legde werken, is een onderdeel van het rijksbestuur. Het
is niet onjuist, dat de kosten van het schoonmaken en meube-
leren der gebouwen , bestemd voor de vergaderingen der
Staten , gebragt worden t o t de ko s t en v o o r z 0 o v eel
j h e t r ij k s b e s t u u r i s , want de provinciale Staten zün
immers eene schakel in de keten van het ri_jksbestuur. En
wat de uitgaven betreft , door büzondere wetten aa.n de
provincie opgelegd, deze tot de k o sten te brengen , vo 0 r
z o ov eel li e t r ij ks b e s tuu r is , dit zoude waarlijk onge-
rijmd zijn: want dan ging het doel der oplegging verloren
en bleven de kosten niet ten laste der provincie , maar kwa-
1nen weder, door een omweg, op de staatsbegrooting: de
wetgever had ze dan even goed dadelijk voor rekening van
den staat kunnen nemen. Naar mijn gevoelen , is het gevolg
van den tegenwoordigen toestand alleen, dat de provinciale
autoriteiten en ambtenaren , voor zoover zij ook eenig werk
doen in het belang van datgene, hetwelk zuiver provinciaal
huishoudelijk is , echter voor het geheel uit ’s rijks kas be-
taald worden; dat geheel uit diezelfde kas betaald worden
de gebouwen en meubelen , ofschoon zg ook aan datzelfde