HomeDe zelfstandigheid van het provinciaal bestuur, volgens de GrondwetPagina 11

JPEG (Deze pagina), 730.93 KB

TIFF (Deze pagina), 6.83 MB

PDF (Volledig document), 27.80 MB

379
cie te behartigen.” Wel is waar, zün tegen deze meening
· van den minister ook aangevoerd sommige uitdrukkingen ,
j voorkomende in het verslag der commissie, benoemd den 17
Maart 1848: ,, Ons land behoeft de eenheid en kracht van
een monarchaal bestuur in algemeene aangelegenheden, ge-
paard met die zelfregering der provinciën en gemeenten,
welke, zonder de orde van het staatsligchaam te storen , het
door vrije ontwikkeling züner deelen versterkt.” 1) Ik merk
op, dat deze woorden eenigermate worden toegelicht door
hetgeen verder in hetzelfde staatsstuk voorkomt: ,, De kie-
men te leggen eener zoodanige inrigting der provinciale en
plaatselüke regeringen , dat de inwendige huishouding,
onder behoorlijk toezigt, zelfstandig regelende en be-
sturende , tevens , in algemeene belangen , geschikte werk-
tuigen zün van het rijksbestuur.” Verder komt het mg
voor, dat de commissie hier algemeene uitdrukkingen be-
zigt, die met eenige omzigtigheid moeten worden aangeno-
men en niet vatbaar zijn om in büzonderheden ontleed en
tot een stelsel gebragt te worden. Door zoodanige spitsvon-
digheid zoude het resultaat soms in tegenspraak kunnen ko-
men 1net de beginselen , in het ontwerp zelf va.n Grondwet
nedergelegd, uit welke beginselen toch wel in de eerste
plaats het stelsel der commissie opgemaakt zal moeten wor-
den. In dat ontwerp vindt men , niettegenstaande de aange-
haalde uitdrukking omtrent de zelfregering der gemeenten,
dat de besluiten der plaatselüke besturen, rakende de be-
schikking over gemeente­eigendom, alsmede de begroetin-
gen , aan de goedkeuring der provinciale Staten onderwor-
pen zullen znn. In dat ontwerp vindt men ook, met de vast-
gestelde Grondwet overeenkomende, bepalingen omtrent de
Koninklüke goedkeuring der provinciale begrootingen en der
verordeningen , welke de Staten in het algemeen provinciaal
belang maken. VVanneer derhalve in het rapport van zelf-
1) Deze zinsnede werd aangevoerd door den Heer IJssel de Schepper, in
eene redevoering, gehouden in de Tweede Kamer der Statcn­Generaal , den 5
December 1864.