HomeHet ontwerp-Ouderdomswet van 6 Februari 1914Pagina 31

JPEG (Deze pagina), 836.42 KB

TIFF (Deze pagina), 7.46 MB

PDF (Volledig document), 35.10 MB

F 29
,1 Staatsarmenzorg van het wetsontwerp, zou zoodanige
regeling zeer gunstig afsteken.
IA Waar het wetsontwerp de gift stelt als regel,
zou zij hier uitzondering blijven. De groote meer-
jj derheid der zeventigjarigen zal reeds terstond hare in-
validiteitsrente trekken. Want ­­ gelijk reeds hiervoor
9 werd opgemerkt - omvat de wet zeer vele categoriën
buiten de eigenlijke werklieden. En zoodra de uit-
breiding der verzekering tot de zelfstandigen ware
A tot stand gekomen, hield de tijdelijke maatregel van
zelf op te werken, wegens gemis van gegadigden.
III. De derde der bezwarende omstandigheden, die
1 het ontwerp­ouderdoxnswet zouden hebben afgedwon-
E gen, is deze, dat de invoering der Artikelen 369 en 370,
, zonder de rem der geheele wettelijke regeling, personen
? van de uitkeering zou doen genieten, voor wie de wet niet
was bestemd.
i Bij de bespreking van dit bezwaar moet er op worden
gewezen, dat in het oorspronkelijk wetsvoorstel de
vereisohten tot bekoming van uitkeering, krachtens de
overgangsbepalingen, minder ruim waren gesteld, dan
zij ten slotte werden bepaald. Ook was in het oor-
i spronkelijk voorstel niet opgenomen de mogelijkheid
t dat enkele der wetsartikelen afzonderlijk zouden kun~
{ nen in werking treden.
I Het was op ernstigen en herhaalden aandrang der
Commissie van Voorbereiding, dat de Regeering de
` grenzen in Art. 369 verruimde en dat in Art. 411 de
gedeeltelijke in-werkingtreding der wet werd mogelijk
gemaakt, met de duidelijk uitgesproken bedoeling de
overgangsbepaling van Art. 369 vooraf en afzonderlijk
te kunnen invoeren; omdat het ,,na aanneming der
wet, inderdaad hard zou zijn voor de personen, die
in de termen voor uitkeering zouden vallen, om ledig
uit te gaan op den enkelen grond, dat de wet, schoon
aangenomen, nog niet in werking kon treden", (bladz“.
67, 68, 201 en 206 van het verslag).