HomeHet ontwerp-Ouderdomswet van 6 Februari 1914Pagina 23

JPEG (Deze pagina), 829.28 KB

TIFF (Deze pagina), 7.40 MB

PDF (Volledig document), 35.10 MB

21
zoodanige regeling niet hebben voorgesteld. Dit laat
zich verstaan. Maar er waren ,,omstandigheden", die
dwongen. En daarom dringt zich van zelf op den voor-
grond de vraag, waarmede dit geschrift werd aange-
vangen: welke vreeselijke dingen mogen er toch sedert
5 Juni 1913 in Nederland zijn voorgevallen, om de toen
afgekondigde Invaliditeitswet eenvoudig opzij te zetten
en haar te vervangen door zoo onrijp ,,product der
omstandigheden" ?
.. Deze noodlottige omstandigheden zouden zijn gelegen
in de werking der overgangs- en slotbepalingen der
Invaliditeitswet, in hoofdzaak opgenomen in de Artt
369, 370 en 411, volgens welke artt., reeds met ingang
van 3 December 1913, kosteloos eene rente wordt uit-
gekeerd, aan de vermoedelijk verzekerden, die den
70-jarigen leeftijd bereikten - terwijl de overige
bepalingen der wet nog niet in werking traden.
Deze regeling leidde tot gevolgen, die door de onder-
teekenaars der Memorie van toelichting worden geken-
’ schetst als ,,irrationeele regeling,", als ,,onrechtvaar­
digheid", als ,,onduldbare bevoorrechting eener bepaalde
klasse der bevolking, waaraan zoo spoedig mogelijk
een einde behoort te worden gemaakt?
Bedoelde gevolgen zijn vierderlei:
1. Zou ,,later van de nieuwe zeventigjarigen betaling
worden gevorderd voor het bekomen eener rente, die
aan hunne oudere en gelukkiger lotgenooten als een
vrije gift was toegevallen."
2. Zou ,,op ’s Rijks kosten eene ouderdomsrente wor-
den toegekend aan 70­jarigen, die volgens de wet onder
het begrip arbeider worden gerangschikt, met uitslui-
ting van allen, die buiten de wettelijk geeonstruëerde
grens van het arbeiderschap staan."
3. Zouden thans personen eene rente genieten, voor
wie, krachtens de rem van Art. 32, noch de wet, noch
de overgangsbepaling was bestemd, doch die thans in
de termen vallen omdat, ,,nu Art. 369 is ingevoerd
E