HomeHet ontwerp-Ouderdomswet van 6 Februari 1914Pagina 21

JPEG (Deze pagina), 830.23 KB

TIFF (Deze pagina), 7.36 MB

PDF (Volledig document), 35.10 MB

19
. zou den toestand meer bederven, door er toe te leiden
dat de armverzorgers, bij hun arbeid, zich steeds meer
lieten leiden door de zucht toch buiten den verboden
kring te blijven, inplaats van met het belang van den
arme te rekenen.
Nog grooter worden de moeilijkheden indien men
het onderscheid tusschen vast- en tijdelijk­gesteunden
niet zou willen vinden in bepaalde feiten betreffende
duur en bedrag der ondersteuning, maar in de cate-
g gorie, bij welke de arme door de steunende instelling
ç van weldadigheid werd ingedeeld.
Bij de burgerlijke armbesturen bestaan geen ,,vast-
‘ bedeelden" meer. Volgens Art. 29 der armenwet worden
alle ondersteuningen toegekend voor ten hoogste drie
maanden. Hier ware dus deze indeeling van zelf
onmogelijk.
Bij de kerkelijke instellingen wordt nog vrij alge-
meen de onderscheiding gehandhaafd tusschen vast-
_ en tijdelijk-bedeelden, eene onderscheiding waarvoor
allerlei redenen worden aangevoerd, maar die absoluut
geen rekening houdt met den duur der ondersteuning,
doch die dáárvan afhangt of de arme, om overwegingen
van persoonlijken of administratieven aard, al dan niet
wordt gebracht op ,,het vaste boek". Zoo is het zeer
‘ wel mogelijk dat eene ,,vaste bedeeling", in Januari
toegekend, in Maart weder wordt ingetrokken. En
evenzeer kan het voorkomen dat een ,,tijdelijk bedeelde"
zijne ondersteuning van 1 Januari tot 31 December
geregeld genoot. Dus ook hier faalt een dergelijke
onderscheiding.
Bij de bizondere instellingen, eindelijk, bestaan zeer
uiteenloopende regelingen, gebaseerd op plaatselijke
verhoudingen, die onder geen algemeenen regel te
brengen zijn. Men raadplege daaromtrent het reeds
J genoemde artikel in het laatste jaarboekje der veree-
niging ,,Armenz0rg" te ’s Gravenhage. Bij deze ver-
eeniging bestaan twee vormen van ondersteuning: