HomeHet ontwerp-Ouderdomswet van 6 Februari 1914Pagina 19

JPEG (Deze pagina), 818.20 KB

TIFF (Deze pagina), 7.36 MB

PDF (Volledig document), 35.10 MB

17
kunnen voorkomen, mogen door eene burgerlijke in-
stelling niet worden beoordeeld.
Neen, die uitgesproken gedachte, dat de gesteunde
zijne zelfstandigheid zou moeten verliezen, is geen
waarheid. Zij is eene beleediging voor den reddendcn
opheffenden arbeid der liefdadigheid, een der schoonste
, vruchten van het Christelijk leven. Deze koele cyni-
sche uiting over ,,ondersteunden, die hunne zelfstan-
digheid hebben verloren" herinnert aan de bijtende
zinsnede op bl. 21 van het geschrift van Mr. Treub
,,over sociale verzekering" *): ,,voor den gever moge de
, liefdadigheid zalig zijn, voor den ontvanger is zij,
omdat hij er geen aanspraak op heeft, die hij met
opgeheven hoofde kan doen gelden, maar er om bedelen
moet en er door vernederd wordt, een pest?
De heer Treub bedenke - zoo de broederlijke
handreiking, aan een arme gegeven, een pest voor
hem is -­ dat de massale staatsbedeeling, in het wets-
ontwerp voorgesteld, eene pestilentie zou mogen worden
genoemd voor het gansche volk.
De tweede onjuiste gedachte in dit deel der Memorie
is, dat er ten aanzien der erkenning van de zelfstan-
_ digheid der ondersteunden eenig principieel verschil
zou bestaan tusschen de tijdelijk- en de voortdurend
gesteunden. Indien er kwestie is van het stellen van
voorwaarden, gelden deze zeker niet minder voor den
behoeftige, die slechts korten tijd gesteund wordt.
~ Als er verschil is, dan is dit ten gunste der vast-
t gesteunden. Een bejaarde, aan wie eenmaal een vaste
ondersteuning is toegekend, gaat verder vrij wel den
eigen weg. De armverzorger brengt slechts een enkel
j maal een kort bezoek, meer uit plichtsbesef of vrien-
ïl delijkheid dan uit noodzaak. Wordt echter een tijdelijke
jj ondersteuning gegeven, dan is voortdurende aanraking
j tusschen verzorger en arme onontbeerlijk; dan moet
*) Amsterdam, Scheltema en Holkcma’s boekhandel, 1906.