HomeHet ontwerp-Ouderdomswet van 6 Februari 1914Pagina 10

JPEG (Deze pagina), 872.48 KB

TIFF (Deze pagina), 7.43 MB

PDF (Volledig document), 35.10 MB

8
standaard doen stijgen. *) De ontworpen ouderdoms-
Y§· wet, die met staatsgiften aanvult, waar het loon te
gi kort schoot, zal in tegengestelde richting werken.
Met instemming zij hier aangehaald het woord van
F., Mr. Treub, op bl. 66 van zijn bekend geschrift Over
ff? Sociale Verzekering: ,,men kan aan de moeilijkheid,
welke de slechte toestand der loonen in den weg legt,
’ E wel ontkomen, door bijdragen, die de werklieden, onder
i" normale toestanden, zelf behoorden te betalen, uit’s Rijks
schatkist te putten. Maar dusdoende werkt men de
Y verbetering der loontoestanden eer tegen dan in de hand."
Vanwaar dit groot verschil in werking tusschen de
· beide regelingen? Het antwoord ligt voor de hand.
ij De Invaliditeitswet is eene sociale verzekeringswet, die
de openbare kas slechts te hulp roept voor den over-
gangstermijn; maar die verder, door algemeene samen-
g werking der belanghebbenden, hen in staat stelt voor
jl zich zelf te zorgen. De ouderdomswet is een armenwet, ‘
en wel een van de slechtste soort. Q
De stelling, dat de voorgestelde uitkeering, getooid
* met den weidschen titel van ouderdomsrente, niets is
Q dan slecht geregelde staats­armenzorg, zal worden
tegengesproken door hen, die het ontwerp, om redenen
buiten zijnen inhoud, zullen verdedigen. Inhoud en
ii toelichting van het voorstel bewijzen echter de onhoud-
e· baarheid dier tegenspraak. Op bladz. 14 der Memorie
van toelichting wordt verklaard dat slechts door zeer
i bizondere omstandigheden dit ontwerp uitgaat van den p
` Minister van Landbouw, want dat het eigenlijk be-
hoort onder het Departement van Binnenlandsche Za-
‘· ken. De Afdeeling wordt niet genoemd; maar ieder
gevoelt dat het die van het armenwezen is. In deze
verklaring der Regeering ligt reeds een bewijs voor
de uitgesproken stelling.
*) Zie hieromtrent de woorden van den hccr Rink, gesproken in de
Kamerzitting van 30 Oktober IQIZ, Handelingen, bl. 306, kolom II.