HomeOpwekking der mogendheden, ter heirvaart naar ParijsPagina 39

JPEG (Deze pagina), 563.24 KB

TIFF (Deze pagina), 6.31 MB

PDF (Volledig document), 23.63 MB

a

19
I
·d; De hersenen gelijk een berg, die vlamt en kookt; j
Nu met de kleur des bloeds op ’t hoofd, gelijk in ’t harte;
Dan zweemende, in zijn’ waan, naar ’t kloek hardvoohtig Sparte?
o Te erg verdwaalde trots! ’t ligtzinnigst volk der aard’,
Zich slingrend naar den geest, die beurtlings in hen Vaart;
Uit d’ arm des roems in dien der weelde neérgezegen,
Zou tegen ’t volk, zoo vast als ijzer, zich doen Wegen!
Meer bootste ’t wuft Parijs, tot onder ’t moorden toe,
Het oude Tirijns na, dat volk, nooit spottens moê, j
Waar de achtbre Raad niets kon tot heil des Staats besluiten,
L, Als ’t lagchen binnentrad, en dreef dc Wijsheid buiten;
t
Ja, konde ’t offer niet volbrengen aan den God
Der zee, dan lagchende , trots Delfi’s hoog Verbod;
En wilde liever stad en Staat in lach doen smoren,
ing DRI]. V€Cl'l.[€I1 l.C‘g€1'l db 33.I‘d.) l1ll[1 Gêlllllüëll. £l3.llgGl)OI`Cll•
J Neen, Sparte had, zoo ’t ooit een’ Vorst ontzei den troon,
, Geen troetelkind van Mars den scliepter aangeboón,
Het had geen dvvinglands ascli gebedeld voor zijn muren:
Vloek kleefde op de asch, zoo ver des naneefs vloek kon duren.
l Wat is dat volk, dat nu zich neêrkromt voor zijn? God,
En morgen dient de rede, en met die rede spot; i
jlï t
a
E J
l