HomeOver: De autonomie der gemeente in NederlandPagina 4

JPEG (Deze pagina), 739.19 KB

TIFF (Deze pagina), 7.14 MB

PDF (Volledig document), 20.29 MB

l
’ l
l E rl
Y .
‘ hier, dan is elk denkbeeld van volstrekte onafhankelijkheid l
uitgesloten, en is integendeel het begrip van ondergeschikt- 1
heid van zelf gegeven.
j De regeling van de vrijheid der gemeente als onderge-
schikt lid van den Staat is alzoo niet beperking der autonomie. 4
Zij is de natuurlijke toestand. Dit algemeen belang beperkt
l niet de autonomie der deelen, maar wijst haar gebied en
grenzen aan. Beperking bestaat eerst dan, wanneer op dit
i gebied op deze grenzen inbreuk wordt gemaakt.
De invloed dezer gedachte ontmoet men telkens in de studie.
r De schrijver verdeelt zijne studie in vier hoofdstukken ,
i elk behandelende een der vier groote tijdvakken waarin onze
nieuwere politieke geschiedenis in het algemeen te ver-
, deelen is.
D Vooreerst gaat hij den toestand der gemeente na onder de
oude Republiek. Hij leidt ons rond in de steden en de land-
gemeenten, spreekt over bevoegdheid, zamenstelling en inrig-
ting van haar bestuur, hare betrekking tot de algemeene
regering.
Den lezer wordt herinnerd hoe het geheel noch op de
ë zamenstelling , noch op de bevoegdheid der stedelijke besturen
wezenlijken invloed had. De instellingen daartoe ontbraken,
of, zoo al aanwezig, ontbeerden zij de kracht om te werken.
j Varen de steden zoodoende in haar bestuur geheel vrij, en
i ontbrak elke waarborg voor de handhaving van het verband
l inet het geheel, hare magt strekte zich uit tot over de alge-
ineene regering. Zoowel onmiddellijk door de bezorging van
i dat deel der algemeene regering dat zij aan zich getrokken
E hadden, en waaraan elke stad haar eigen privaatregt, krijge- ‘
Q wezen, belastingwezen, dankte, ­­ als rniddellijk door de
l Staten, mede uit de steden zamengesteld, wien slechts noode
al het overschot der algemeene regering overgelaten werd.
j Deze groote magt ontsproot niet uit besef van gemeentelijke
/ vrij heid. Slechts weinige groote steden, niet de landgemeenten
r noch het grooter aantal der steden, deelden daarin. De magt
; kwam niet ten goede aan de gemeente, maar aan de familiön
ii
l.

t i