HomeOver: De autonomie der gemeente in NederlandPagina 25

JPEG (Deze pagina), 803.39 KB

TIFF (Deze pagina), 7.08 MB

PDF (Volledig document), 20.29 MB

I
l
l
ze lg
li
1 heid en gezondheid. Deze onderwerpen zijn ongetwijleld voor
j een groot deel van algemeener dan enkel huishoudelijk ge-
meentebelang, toch gaf de wet ze geheel ter regeling aan de ‘
“ gemeentebesturen, dus erkent de wet de bevoegdheid des
plaatselijken wetgevers in zaken van meer algemeen belang. I
De schrijver ziet geheel voorbij dat art. 1.35 van onderwerpen i
gewaagt voor zooverre zij de huishouding der gemeente betref-
fen. Het artikel voegt er bij: ven van andere betreffende de
huishouding der gemeentenz Als of daarenboven deze bepaling
niet bebeerscht wordt door den algemeenen regel in art. 14i0
i der Grondwet, artt. 134 en 150 der gemeentewet gegeven, I
welke artikelen de bevoegdheid der plaatselijke besturen be-
perken tot r/de huishouding der gemeentev en verbieden dat
de plaatselijke verordeningen zztreden in hetgeen van algemeen
Rijks- of provinciaal belang is.u
Art. 188. De burgemeester is volgens dit artikel belast i
inet de politie over voor het publiek openstaande gebouwen .
en zamenkomsten. Dat hier bepaalclelijk geen onderwerpen
van meer dan huishoudelijk belang aan den gemeentewetge·
ver zijn opgedragen, blijkt uit art. 190, al. 2, volgens het- l
5 welk [/de gemeentepolitie rust op de plaatselijke verordeningen l
I aen bevelen, die, ten gevolge dezer wet, in het huishoudelijk
abelang der gemeente zijn gegeven./»
Eindelijk art. 151: ”De bepalingen van plaatselijke ver­
aordeningen in wier onderwerp door eene wet, een algemeenen
amaatregel van inwendig bestuur of eene provinciale verorde-
uning wordt voorzien, houden van regtswege op te geldend;
r»Dus,u zegt schrijver (1) , zzonderstelt de wet de mogelijkheid
adat eene zaak plaatselijk geregeld zij, die later voor eene j
ualgemeene regeling vatbaar geacht wordt. De wet erkent dus j
ade bevoegdheid tot regeling bij plaatselijke verordening van
i l uonderwerpen waarin de algemeene of provinciale wetgever
azou kunnen voorzien.«» Men vergenoege zich nevens deze de
volgende ongerijmde redenering te plaatsen. Is de eerste juist
dan is het ook de laatste.
(1) v. Hanson, bl. 117.
l
(
l