HomeOver: De autonomie der gemeente in NederlandPagina 24

JPEG (Deze pagina), 739.60 KB

TIFF (Deze pagina), 7.08 MB

PDF (Volledig document), 20.29 MB

» l
4
j l
j 22 D
l rivan verordeningen moeten afvragen: Behoort het onderwerp;
l vlot die zaken, die alleen door den Rijks wetgever kunnen ,
wgeregeld worden of aan den provincialen wetgever zijn opge-
1 wdragen en is er door deze nog niet in voorzien? Zoo neen
zzdan zijn zij bevoegdm ‘1
j Kortom voor alles wat niet bepaald opgedragen is, komt
` schrijvers stelsel neêr, op eene verdeeling der regering, ook
l der algemeene regering , tusschen hooger en lager gezag, waarbij
het goedvinden van hooger gezag beslist.
j Dit stelsel schijnt onhoudbaar, Vooreerst rust de wetge-
E vende bevoegdheid op geen vast beginsel en mist dus vaste
V grenzen. VVaar houdt de bevoegdheid van den algemeenen i
wetgever op en begint die van het plaatselijk bestuur, en
" hoe ver strekt zij zich uit? Wie zal het zeggen? Gaat men
eens aan het verdeelen zonder dieperen grond, men kan de
grens even goed stellen ginds als hier. Het hangt af van
den luim van den dag. Heden zal hooger gezag bevoegd
regelen, zonder dat de behoefte veranderd is, wat gisteren
nog behoorde tot de bevoegdheid van den plaatselijken
wetgever.
Ten tweede. De wetgeving is een gering deel der regering.
Voor alles behoort dezelfde regel te gelden. Nu springt het ·j
in het oog dat het stelsel des schrijvers voor de eigenlijk [
gezegde regering onmogelijk is.
Ten derde. Vat algemeene regeling eischt, kan bijzondere
regeling ontvangen, verschil dus waar gelijkheid gevorderd
wordt. Waar bijzondere regels noodig zijn, kunnen algemeene
gegeven worden, gelijkheid dus waar verschil gewettigd is.
Maar de schrijver ontleent zijn stelsel aan de wet. r/In
theorie,«z zegt hij (1), zzmoge dit (het stelsel der wet) juist
zijn. Dit schijnt evenwel niet in den geest der wet.»« En
hij voert de volgende bewijzen voor zijn stelsel aan.
Art. 135. De geineentebesturen maken volgens dit artikel ` l
de verordeningen in het belang der openbare orde zedelijk-
(1) v. Hanson, bl. 115.
"