HomeOver: De autonomie der gemeente in NederlandPagina 23

JPEG (Deze pagina), 745.65 KB

TIFF (Deze pagina), 7.24 MB

PDF (Volledig document), 20.29 MB

2I
t
i zoo de lroogere wetgever er slechts niet in heeft voorzien,­-
l en dat vice versa, de hoogere wetgever zaken van plaatselijk
l belang zal kunnen regelen, want zijne beslissing is het rigt-
4 snoer zijner bevoegdheid.
. Zoodat de bevoegdheid niet afhangt van het vermogen der
l besturen tot regeling en voorziening, van d'e vatbaarheid der
Q onderwerpen voor bijzondere regeling en voorziening , maar van
ganscb andere uiterlijke gegevens. Nu zegge men niet, dat schrij-
vers stelsel met dat der wet gelijk uitkomt, daar ook volgen-s de
wet de lagere wetgever de beslissing des hoogeren eerbiedigen
I moet. Dit is in elke regeling onvermijdelijk. Maar bij het stelsel
der wet is hoogere en lagere wetgever aan den regel der
wet, waarbij de wetgevende bevoegdheid bepaald wordt, ge-
bonden. Terwijl volgens het stelsel van den schrijver, de .
hoogere wetgever slechts door zijne eigen beslissing gebon-
den wordt, en deze den regel voor de wetgevende bevoegd-
heid geeft; (
Dat dit werkelijk schrijvers stelsel is, blijkt uit de vol-
gende aanhalingen: Q
zzVan algemeen Rijks belang,«z zegt hij, (1) r/is wat door
ud'e Grondwet daartoe gebragt wordt en dus door de wet
z/alleen geregeld kan worden. Van provinciaal belang, wat door
‘ ude Grondwet of de provincale wet aan de Staten ter rege-
l z/ling is opgedragen. Wat deze onderwerpen dus aangaat, is
ï z/alle bemoeijing van de plaatselijke besturen uitgeslotenur
...... zzZoodra de algemeene wetgever eene zaak gaat
nregelen die op zich zelf tot de bevoegdheid der gemeente
r/behoort, houdt deze op van plaatselijk belang te zijn en
zzwordt Rijks belang.«/
/»De wet erkent dus de bevoegdheid tot regeling bij 1
xzplaatselijke verordening van onderwerpen waarin de algemeene (
zzof provinciale wetgever zou kunnen voorzien.«« t
/zDe gemeentebesturen (4) zullen zich dus bij het maken
(1) v. Hnusnm, bl. 114. .
(2) v. Hanson, bl. 114. 1
(3) v. IIEUSDE, bl. 117. 1
(4) v. Hnusma, bl. 118.
1
l
1