HomeTheorie en bewegingPagina 10

JPEG (Deze pagina), 825.84 KB

TIFF (Deze pagina), 7.28 MB

PDF (Volledig document), 35.69 MB

S
VVaaraan is het toe te schrijven, dat deze theorieën alleen
door de arbeidersklasse zijn aanvaard en juist het strijd-
wapen van de arbeiders-beweging zijn geworden?
Is het historisch­materialisme alleen waar voor de arbei-
ders en niet voor de overige klassen der maatschappij?
Zeer zeker niet! Het is eene waarheid, die geldt voor de
maatschappij in haar geheel en het is dan ook een opmer-
kelijk feit, dat het, wat betreft het verband dat het legt
tusschen de produktiewijze en de rechtsverhoudingen, ook
in burgerlijke kringen meer en meer wordt erkend.
Toen ik hier onlangs met den heer Talma debatteerde, »
heb ik reeds gewezen op de koncessies, door dr. de Visser,
die toch zeker niet verdacht zal worden van sociaal­demo­
kratische neigingen, bij de jongste begrootingsdebatten
aan het historisch­materialisme gedaan. De christelijk-
historische afgevaardigde konstateerde ,,de voortdurende
wisseling, waaraan het stellig recht is onderworpen°’ en
zeide o.a.: ,,Ik ga zelfs zoover van te erkennen, dat de
krachtigste hefboom van die rechtsontwikkeling de toene-
mende macht is over allerlei stoffelijke krachten, zoowel
_ als de aard en de omvang van den nationalen rijkdom. l).
Hoewel dus van burgerlijke zijde de hoofdzaak van het
A historisch-materialisme moet worden toegegeven, kan het
toch niet anders of dit moest, als geheel, de methode
worden van de strijdende arbeiders. Het is eene toepassing
der evolutieleer, van het Darwinisme, en Cornelie Huygens j
heeft terecht opgemerkt, dat een konsekwente aanvaarding
van het Darvvinisme in zijne toepassing op geschiedenis en
maatschappij voor de heerschende bourgeoisie vrijwel on- f
mogelijk is. Zij neemt er zooveel van, als zij gebruiken j
kan; de grens is daar, waar de voortzetting van het Dar- ,,
winisme dit tot een wapen in de hand van het proletariaat
zou maken.
Het is altijd zoo geweest, dat de theorie beheerscht wordt
door klasse­belangen. Dit was reeds het geval ten tijde
van Radboud, die met den eenen voet in de doopvont
stond en vroeg, of hij, als hij zich liet doopen, na zijn
I dood wel bij zijne aanzienlijke voorvaderen zou komen,
1) Hand_ Tweede Kamer 1901--1902 blz. 291,