HomeSociale verzekeringPagina 100

JPEG (Deze pagina), 893.86 KB

TIFF (Deze pagina), 8.10 MB

PDF (Volledig document), 96.61 MB

98
ik met de volgende vergelijking, ontleend aan het Verslag
. van de Staatscommissie van 1895.
Voor een pensioen van f 3,.- ’s weeks bij invaliditeit
en op 65jarigen leeftijd is de wekelijksche bijdrage, bij
een rentevoet van 3, pCt., als alle zojarigen toetreden ·
(en geene anderen):
bij het premiestelsel 34 cents;
bij de kapitaaldekking, aanvankelijk lager en opklim­
mend tot 53 cents;
bij omslag, aanvankelijk nog lager en opklimmend tot
75 cents per week.
, Worden alle tegenwoordige werklieden tot aan den
; leeftijd van 50 jaar opgenomen, en wordt voor allen
1- dezelfde bijdrage vastgesteld, dan bedraagt deze in het
premiestelsel 63, cents per week.
j Het is duidelijk dat alle cijfers lager worden bij toe-
’ treding reeds op het 16** jaar en dat het laatstgenoemde ä
; cijfer niet onbelangrijk vermindert bij opneming alleen
tot aan den leeftijd van 45 jaar. Men zal wel niet te
_ . optimistisch ramen door voor dit geval het laatstbedoelde
L cijfer tot 55 cents terug te brengen; d. w. z. er moet
wekelijks per verzekerde een afloopend bedrag van
2I cents boven de normale bijdrage worden gestort om
` ook hen die den leeftijd van 45 jaar niet hebben over-
schreden, op te nemen. Houdt men aan dit cijfer vast
, en stelt men dat de bijdragen voor hen die op Iójarigen
j leeftijd intraden, volgens het omslagstelsel zn dan aanvang
g gemiddeld 9 à IO centen per week bedragen zouden,
j dan zou men in dat stelsel, bij opneming van alle zelf-
2 standigen tusschen 16 en 45 jaar, tot een gemiddelde
, aanvangsbijdrage komen van 30 centen per week. Deze
aanvangsbijdrage, welke eer te hoog dan te laag gesteld
is, bestaat uit twee elementen, een dalend voor de eerst
op lateren leeftijd toegetredenen en een (sterker) stijgend
voor de op 16-jarigen leeftijd opgenomenen. Na afloop
van het overgangstijdperk van 75 jaren is het eerste
, element uit de bijdrage verdwenen en het laatste tot

1
l j