HomeOuderdomsrentePagina 9

JPEG (Deze pagina), 915.17 KB

TIFF (Deze pagina), 7.13 MB

PDF (Volledig document), 24.89 MB

7
werd verleend, was immers deze, dat zij het waarlijk niet helpen
konden, dat bij ontbreken eener lnva1iditeits­ en Ouderdomsverzeke-
ring voor hen geen premies konden worden betaald. Welnu, op dien-
zelfden billijkheidsgrond moest ook aan de z.g. niet­1oonarbeiders -
nu aan de jongeren vanaf 3 December 1919 de gelegenheid werd
. geboden zich vrijwillig te verzekeren - zoo zij vóór dien datum
reeds de 65 jaren gepasseerd waren, een kostelooze rente worden
toegekend, wijl zij buiten hun wil van de thans geboden gelegenheid
niet hebben kunnen profiteeren. Wel spreekt het billijkheidsmotief
bij de vrijwillige verzekering niet zoo vanzelf als bij de verplichte
verzekering, omdat het niet vaststaat, dat alle niet­loonarbeiders
ouder dan 65 jaar van de gelegenheid zich vrijwillig te verzekeren,
zouden hebben gebruik gemaakt, indien de Ouderdomswet reeds
eerder tot stand ware gekomen; doch waar een onderzoek ter zake
uitteraard ondoenlijk is, moest hier wel worden uitgegaan van de
onderstelling, dat dezulken inderdaad niet zouden hebben nagelaten
zich vrijwillig te verzekeren, zoo de Wet er gelegenheid toe had
geboden. Het komt dus eigenlijk hierop neer, dat alle 0p 3 December
1919 in leven zijnde personen ouder dan 65 jaar, onder zekere voor-
waarden recht wordt gegeven op een kostelooze ouderdomsrente,
onverschillig of zij al dan niet loonarbeiders waren. Van dit gegeven
recht op een premie-vrije rente behoefde slechts één categorie te
worden uitgezonderd, n.l. zij, die zich reeds zulk een rente tusschen
de jaren 3 December 1913-·3 December 1919 zagen toegekend.
Recht opkostelooze rente. De ,,Ouderdomswet 1919" ver-
leent deze kostelooze ouderdomsrente ten bedrage van f 3.- per
week, of voor gehuwden f 2.50 per week (te zamen f 5.-), indien
aan de gestelde voorwaarden is voldaan,in deze woorden: ,,aan een
ieder Rijksingezetene, die bij het in werking treden van deze wet (d.i.
j op_3 December 1919) den leeftijd van 65 jaar heeft bereikt of over-
schreden en niet in het genot is van eene rente, als bedoeld in de
artikelen 369 of 370 der lnvaliditeitswet of van eene uitkeering,
welke hem in plaats van die rente uit ’s Rijks kas is toegekend".
Met deze uit ’s Rijks kas toegekende uitkeeringen worden bedoeld
de uit billijkheidsoogpunt verleende zgn. jaarlijksehe gratificaties
aan hen, die om formeele redenen, geen rente ex artikelen 369 of
370 der lnvaliditeitswet konden verkrijgen.
Zelfs niet-Nederlanders hebben recht op deze rente, indien
zij aantoonen, gedurende 2 December 1913 tot en met 2 December
l