HomeOuderdomsrentePagina 8

JPEG (Deze pagina), 765.87 KB

TIFF (Deze pagina), 7.13 MB

PDF (Volledig document), 24.89 MB

HOOFDSTUK ll.
De k 0 stel 0 0 z e (premievrije) ouderdomsrente voor personen,
die op 2 D e eem b e r 1919 65 jaar of ouder waren.
Zooals in het vorige hoofdstuk reeds werd opgemerkt, kwam
door de op 3 December 1919 volledige in werking getreden invalidi-
teitswet, het motief te vervallen, om de sedert 1913 aan alle 70-
jarigen volgens de artikelen 369 en 370 der lnvaliditeitswet toege-
[ kende ouderdomsrenten langer te verleenen, wijl belanghebbenden
thans de ouderdomsrente konden erlangen op grond van hun op-
name in de verplichte verzekering en de voor hen door hun werk-
gevers geplakte zegels. Mochten er zegels aan het vereisehte aantal
ontbreken, dan moet slechts worden aangetoond, dat men in de
laatste 10 jaren 156 weken in loondienst gewerkt heeft. _
In verband met de wijziging der wet, dat de ouderdomsrente
zal worden toegekend niet na het bereiken van het 70ste, doch
van het 65ste jaar, scheen het noodig de verplichte verzekering aan
te vullen met een bepaling, waarbij aan de personen, die bij het
in werking treden van de verplichte verzekering tusschen 65 en
70 jaar oud waren, alsnog op den voet van artikel 370 der
lnvaliditeitswet een kostelooze ouderdomsrente konden verkrijgen.
Zulk een bepaling werd echter niet opgenomen in de lnvaliditeitswet.
Waarom niet? Omdat de Regeering deze personen op een andere l
wijze evengoed kon helpen, n.l. bij de regeling van de Vrijwillige
Ouderdomsverzekering. ·
Hier ligt dan ook het verband tusschen de beide wetten.
Daarom ook was het noodzakelijk, dat èn de verplichte lnvaliditeits-
wet èn de Vrijwillige Ouderdomsverzekering op gelijken datum
in werking moesten treden. Er was overeenkomst van belangen,
vooral ten aanzien van de groep personen, die vóór 3 December 1919
65 jaar of ouder waren. De billijkheidsgrond, waarop sedert 1913
aan de zoogenaamde loonarbeiders een kostelooze ouderdomsrente
l