HomeOuderdomsrentePagina 6

JPEG (Deze pagina), 933.79 KB

TIFF (Deze pagina), 7.15 MB

PDF (Volledig document), 24.89 MB

4
ware getreden, deze loonarbeiders dan zeer zeker recht zouden
kunnen doen gelden op een ouderdomsrente, omdat voor hen dan
premie zou zijn betaald.
Waar nu vanaf het inwerking treden der verplichte verzeke-
ring voor deze arbeiders jonger dan 70 jaar (later door wijziging
gebracht op 65 jaar) premie kon worden geheven, was er geen reden ‘
meer om de premie-vrije rente ex artikelen 369 en 370 der invalidi-
teitswet langer toe te kennen. De loonarbeiders, voor wie tot dusver
deze premievrije rente gold, zouden immers nà 3 December 1919
in aanmerking komen voor de ouderdomsrente ex artikel 373 der
Invaliditeitswet, indien voor hen slechts een minimum aantal zegels
waren geplakt en, voor zoover aan dit minimum aantal nog zegels
ontbraken, rustte ook op hen de bewijsplicht aan te toonen, dat zij
de laatste 10 jaar, voordat zij recht verkregen op de ouderdoms-
rente, 156 weken in loondienst hadden gewerkt. _
Met deze regeling zouden alle moeilijkheden opgelost zijn,
indien de Regeering zich althans beperkt had tot de uitvoering
der verplichte verzekering alleen. Maar de tijd staat niet stil en
zoo was, reeds vóórdat de Invaliditeitswet volledig in werking
trad, de wenschelijkheid gebleken enkele belangrijke wijzigingen
aan te brengen. Een dezer wijzigingen was de verlaging van den
leeftijd, waarop recht op ouderdomsrente werd verkregen; deze
wordt voortaan verleend met ingang van den dag, waarop men
65 jaar wordt. Bovendien had de toekenning der reeds genoemde
premievrije renten gedurende de jaren 1913-1919 meer dan ooit
de onbillijkheid doen gevoelen, dat alleen loonarbeiders met hulp
van den Staat een rente voor den ouden dag ko_nden verwerven,
terwijl zoovele anderen, die economisch met arbeiders gelijk zijn 1
te stellen, van dit voorrecht verstoken bleven. Dit laatste leidde j
er toe, dat de Wetgever, overtuigd van de noodzakelijkheid eener i
verzekering tegen geldelijke gevolgen van den ouderdom ook voor
niet­loonarbeiders, een daartoe strekkende afzonderlijke regeling
in het leven heeft geroepen, omdat het practisch onuitvoerbaar
was, zulk een regeling in de verplichte verzekering op te nemen.
Immers uitteraard kan bij een regeling voor niet­loonarbeiders
moeilijk sprake zijn van dwang en moest men deze verzekering
wel doen rusten op het beginsel van vrijwillige deelneming.
Als resultaat van deze overwegingen kwam dan ook tot stand
de wet van 4 November 1919, betreffende vrijwillige ouderd0msver­
zekering,ten doel hebbende,,aan arbeiders en pers0nen,die economisch j
1
l