HomeOuderdomsrentePagina 15

JPEG (Deze pagina), 949.37 KB

TIFF (Deze pagina), 7.09 MB

PDF (Volledig document), 24.89 MB

13
laat, nl. door betaling van een premie in verband met denleeftijd,
waarop tot de verzekering wordt toegetreden. Wel zou op deze wijze
de Staat niet meer dan de gewone verzekerings­risico loopen, doch
dan zou een toestand geschapen zijn, waarbij iemand, die 2 December
1919 65 jaar oud was geworden, een kostclooze rente zou verkrijgen
j · en zijn buurman, die eenige dagen later 65 jaar oud werd, zich
p dezelfde rente eerst zou zien toegewezen na betaling van een som
van f 1569.8811 Men voelt, daar moest wat anders op gevonden
worden. De Regeering was tengevolge van het feit, dat de verplichte
invaliditeits­ en ouderdomsverzekering eerst in 1919 inplaats van
1913 volledig in werking was getreden, wel genoodzaakt geweest
al die jaren de k0stel002e ouderdomsrenten uit te keeren, die volgens
de oorspronkelijke wetsbepaling hoogstens voor drie jaren premievrij
zouden toegekend worden Het publiek was daardoor aan dien toe-
stand langzaam gewend geraakt en het ging niet aan hieraan opeens
totaal een einde te maken. ·
De oplossing werd nu aldus gevonden, dat de groep van
personen tusschen 35-65 jaar oud met Staatsbijdrage tot de vrij-
willige verzekering worden toegelaten, tegen een betaling van een
eenheidspremie ad 39 cent per week, zijnde de premie, waarop per-
sonen van 34 jaar ter bekoming eener weekrente van f 3.- kunnen
worden toegelaten, zonder dat de Staat voor die 34-jarigen een bij-
slag behoeft te geven. En waar de Staatsbijdrage voor de groep
boven de 34 jaar zeer belangrijk is, kon het wel niet anders of de
mogelijkheid, zich voor een hoogere rente dan f 3.- per week te
verzekeren, moest voor deze groep worden uitgesloten. Met deze
regeling betaalt echter de zooeven genoemde buurman voor de rente
j van f 3.- nu geen f 1569.88, maar f 0.39 ! Het verschil past natuur-
i lijk de Staat bij. De 64-jarige betaalt aldus in het geheel f 20.28,
j de 54-jarige f 202.80, de 44-jarige f 405.60 premie. Voor de personen
van 35-65 jaar is alzoo een overgangstoestand geschapen: zij be-
talen zelf iets en de Staat doet de rest. Hiermede is het ,,waarom"
dezer regeling (men moge daar nu verder over denken, zooals zijn
overtuiging dit medebrengt) voor een ieder begrijpelijk gemaakt.
Als deze groep eenmaal uitgestorven zal zijn en de personen, die
thans jonger dan 34 jaar zijn, renten gaan trekken, is er van Staats-
bijdrage geen sprake meer in het stelsel der Wet.
' 4 Er waren echter nog meer moeilijkheden op te lossen. lndien
aan den candidaat­verzekerde van de groep der personen van 35-
65 jaar zou worden overgelaten toe te treden op een oogenblik door
r
e