HomeEen drietal lezingen in Amerika gehoudenPagina 47

JPEG (Deze pagina), 0.98 MB

TIFF (Deze pagina), 8.56 MB

PDF (Volledig document), 47.59 MB

­·­­;«- 1 ·«« aäw, __ . Y rr . .. ­ ­ ­ ­ ··-à~«·­--~--­-­-­?­-­­­­- ·-·-·-·­­­­·­­···­­­­-­¤"@¤¤* :•‘S$¤1•1«i5‘£1ï?B·­¤*'¤Wi ' k
de klassieke horizontale lijn, door de ontwikkeling van het gewelf~ l
stelsel kwam tot de vertikale, hetgeen in zekeren zin een ontkenning
van de stof beteekende.
Nu zou de moderne architektuur door haar massagroepeering als
uiterlijke verschijning de ruimte~omsluiting tot uitdrukking kunnen
brengen, hetgeen ook in het algemeen de meest ideëele uiting zou
zijn, omdat ten slotte de kunst van bouwen bestaat in de kunst om
ruimten te scheppen. Om die reden spreken wij in dezen tijd dan
ook van ruimtekunst, een uitdrukking die, voor zoover ik weet ge-
heel nieuw is. De uiterlijke verschijning van een gebouw is dus geen
oorzaak, maar een gevolg van den harmonischen vorm, die aan de
verschillende ruimten wordt gegeven. Daarmee wordt tevens aan~
» getoond, dat niet de architektuur van den gevel de hoofdzaak is,
maar dat deze zich naar het inwendige heeft te regelen.
Dit schijnt vanzelfsprekend en toch werd ook dit beginsel gedu~
rende de negentiende eeuwsche stijlperiode geheel verwaarloosd.
Wat nu de massagroepeering betreft, waarop bij de moderne
architektuur de nadruk moet vallen, zoo blijkt de Oostersche kunst
reeds min of meer daaraan te voldoen, zoodat voor hen die bang
zijn voor een nieuwere richting, de geruststelling blijft, dat er ten j
slotte ,,niets nieuws onder de zon" blijkt te zijn. 1
Uit deze beschouwingen wordt dus opnieuw duidelijk, dat de be~
ginselen altijd dezelfde zijn; dat het er dus alleen op aan komt of
deze al of niet worden gehandhaafd, zoodat de uiterlijke verschij-
ning dan betrekkelijk bijzaak wordt. En nu blijkt het, dat de archi~
tektuur der 19de eeuw heeft gemeend die beginselen geheel te moe~
ten loslaten, hetgeen dan ook de felle reactie heeft te voorschijn ge~
roepen. En dat beteekent voor de architektuur, dat volgens zuiver
constructieve beginselen en krachtens eigen scheppings~drang moet
worden gewerkt. Alleen dat geval geeft waarborg voor een ideëele
_ ontwikkeling der bouwkunst. Alleen dat geval zal aan hare werken
datgene vermogen terug te geven, wat we daaraan in de 19de eeuw
hebben gemist namelijk ,,kracht".
Wat dit beteekent ontleen ik aan een belangwekkend artikel over
den Zwitserschen schilder Hodler. ,,Men zal", zegt de schrijver,
,,ten opzichte der kunst van Hodler nooit tot overeenstemming
komen, zoolang men met het gewone schoonheidsbegrip rekent;
men kan zijn werken, om mij barok uit te drukken, veel eerder als
machines naar paardekrachten berekenen. Dat klinkt zeker brutaal,
maar er zijn ten allen tijde groote kunstwerken geweest niet alleen
zonder schoonheid maar van ontwijfelbare leelijkheid. Wat zegt b.v.
41
s. ­_,... · ·.s