HomeEen drietal lezingen in Amerika gehoudenPagina 45

JPEG (Deze pagina), 1.02 MB

TIFF (Deze pagina), 8.55 MB

PDF (Volledig document), 47.59 MB

Nu blijkt uit deze beschouwingen, dat datgene wat de moderne l
architektuur nastreeft eigenlijk niets nieuws is, maar dat datzelfde
streven naar zakelijken eenvoud juist een eigenschap is van groote
stijlperiodes. Dat openbaart zich het zuiverst bij het begin eener
ontwikkeling, zoodat als bewijs uit het ongerijmde wel de gevolg­ `
trekking mag worden gemaakt, dat wij ons daarom thans inderdaad
aan het begin van zulk een stijlperiode bevinden. Want elke stijl
­ heeft een tijdperk van opkomst, bloei en verval, of zooals Hegel dit
uitdrukt van nastreven, bereiken, en overschrijden.
Het is de opeenvolging van den strengen, den idealen en den
aangenamen stijl, zoodat een stijl in den aanvang niet, aan het einde
wel de instemming van het publiek zal hebben. De producten van
.3 alle kunsten zijn immers werken van den geest, en daarom niet bin~
l nen een bepaald bereik, dadelijk klaar, zooals de vormen der natuur. ~
l In het eerste tijdperk, dus dat van den strengen stijl, zalhet ver~
l sierende element het minst naar voren komen, omdat het allereerst
ä naar den grondvorm moet worden gezocht. ln het bloeitijdperk, of
l dat van den idealen stijl is dan de harmonie tusschen vorm en versie~
l ring bereikt, maar ook tevens de grens van het tijdperk van verval,
Dit tijdperk is dat van den aangenamen stijl, en heeft misschien wel j
f daarom dien naam, omdat dan het versierende element den voor~
rang verkrijgt boven het zakelijke, en het groote publiek van deze
j beide het ornament verkiest.
Deze beschouwingen leiden dus tot de erkenning, dat de negen··
j tiende eeuw geen groote stijlperiode is geweest, omdat verouderde
stijlvormen een gevolg moeten zijn van een oorzakelijk practisch
4 streven. ,,Only that is spiritual, which makes its own form; art only
‘ begins where imitation ends" ontleen ik aan Oscar Wilde.
l Eerst in dezen tijd is een zoodanig streven merkbaar, hetgeen dus
· j overeenstemt met datgene wat zich ook vroeger aan het begin van
een groote stijlperiode openbaarde. Dit zakelijke beteekent een ver~
standige constructie, niet alleen met toepassing der oude, maar boven~
dien van alle nieuwe bouwmaterialen, die deze tijd voor dat doel
beschikbaar stelt. Het moderne ligt niet in het ,,of", maar in het
,,hoe" dezer toepassing, terwijl juist ook gebleken is, dat de archi­
tektuur der negentiende eeuw de bouwmaterialen niet op stijlkun~
dige wijze toepaste.
Wij staan dus met het begin van de twintigste eeuw ook werkelijk
aan het begin eener moderne architektuur. Deze vertoont zich wel is
waar nog zeer sporadisch en natuurlijk met nationale verschillen,
terwijl ook weer reactionaire stroomingen zichtbaar zijn met een ver~
39
·-·' .4 . . » H., · ~ i vf