HomeBeschouwingen over het eiland Schokland naar aanleiding van eene voorgestelde inkorting, met een naschrift aangaande de nog nietPagina 34

JPEG (Deze pagina), 590.82 KB

TIFF (Deze pagina), 6.04 MB

PDF (Volledig document), 32.94 MB

i 27
Zwolsche diep gedurig herinnerde , zoo vermeende
ik, dat het welligt goed kende wezen, hiervan
ook nog iets te zeggen Ik heb evenwel geen
voornemen, om omstandige bijzonderheden op te
geven, die ten opzigte van deze zaak in de
E eerste jaren hebben plaats gehad, te minder, omdat
ik dezelve in de door de schippers uitgegevene bro-
, chures als anderzins algemeen bekend zijn.
Ik zal dus beginnen van af den tijd, dat de
schippers het, na buitengewoon veel moeite, zoo ver
e hadden gebragt, dat, naar aanleiding van hunne
regtmatige en gegronde klagten en bezwaren tegen
de vastgestelde tolhefling, doo1· de Tweede Kamer
der Staten­Generaal , in het begin van 1856 een
Staatsonderzoek (enquête) werd bevolen.
Tot dat onderzoek werden benoemd de heeren
J. K. VAN GOLTSTEIN, J. P. DELPRAT , STORM VAN
’S GRAVESANDE , HEEMSKERK C11 WINTGENS, daar-
2 over 29 getuigen gehoord, en reeds op 13 September
V 1856 hiervan een uitvoerig verslag hebben uitge-
V bragt, welk een en ander aan den Staat eene
g beduidende som zal hebben gekost.
Toen het aan de schippers bekend werd, dat
genoemd onderzoek zou plaats hebben, en ook
i (*) Dat op genoemd vaarwater veel bedrijvigheid bestaat, kan
hieruit blijken, dat volgens den heer s1.0x·:r Tor ornnurs het aantal
gelarlene vaartuigen boven de 10 ton, die in 1855 liet Zwolsche
diep hebben bevaren, 1325 bedroeg, die 9542 reizen hebben gcdazun,
A welk getal door de eugeladeneu vrij wat wordt vermeerderd; welke
meest allen bij en om Schokland passeren.