HomeBeschouwingen over het eiland Schokland naar aanleiding van eene voorgestelde inkorting, met een naschrift aangaande de nog nietPagina 19

JPEG (Deze pagina), 592.27 KB

TIFF (Deze pagina), 6.09 MB

PDF (Volledig document), 32.94 MB

I
ä
* 12
F
l >>Dat, in overeenstemming met den Inspecteur van ·
j het Loodswezen, er altijd van het weggespoelde j
Noordelijk gedeelte een zandbank zal blijven ,
die als ree nog wel voldoende zal wezen, en
j indien dit onverhoopt het geval niet mogt
zün, er altijd een steenen dam kan worden ge-
legd.
» Dat men heeft goed gedacht opene hoofden
te maken, doch minder noodig of als dringend
noodzakelijk gerekend, die voo1· ijsbreker in te
rigten.
» Dat evenwel, zoodra de afnerning van het
verlaten Noordelijk gedeelte van het eiland, voor
de veiligheid der ree zulks noodzakelijk mogt ma-
ken , de aanleg dan kan geschieden van ee11 1‘lj­
zen hoofd strekkende Oost en West."
2°. Missive van den Heer J. G. W. FIJNJE, thans .
Ingenieur bij de Spoorwegen, vroeger bij den Wa-
terstaat, aan den Minister van Binnenlandsche Za-
ken, dato 10 Augustus 1860, waarin voorkomt:
» Dat Z.Ed. betreffende de inkorting van het eiland
reeds vroeger is gehoord en aan den Minister heeft
te kennen gegeven , het toen raadzaam te hebben
geacht, alvorens de daarbij belanghebbenden te
hooren, om de verdediging aan de Noordzijde nog
niet geheel achterwege te laten.
» Dat men toch in aanmerking moest nemen, dat
de werken op Schokland vroeger door de Provin­ _
ciën Friesland en Noordholland in het belang der
vaart op Jde Zuiderzee tot stand waren gekomen,