HomeBeschouwingen over het eiland Schokland naar aanleiding van eene voorgestelde inkorting, met een naschrift aangaande de nog nietPagina 18

JPEG (Deze pagina), 555.89 KB

TIFF (Deze pagina), 6.15 MB

PDF (Volledig document), 32.94 MB

j H1
1°. Eene missive van den lloofd­lngenieur N.
J. VAN DER LEE, dato 20 Julij 1860, aan den
Commissaris des Konings in Overijssel, op schrij-
ven van Z. E. den Minister van Binnenlandsche
= Zaken, waarin hij te kennen geeft, (na vooraf
eene begroeting van kosten te hebben opgegeven ,
aannemende dat half Schokland en wel het Noord-
` eind of Emmeloord vervalt , en de daar zijnde
E materialen alle worden verbruikt).
ce. » Overtuigd te wezen , dat het overblijvende
Zuidelijk gedeelte van het eiland voor de veilig-
E heid der schepen voldoende is, of voldoende
W is te maken.
Q 6. » Dat de beperking of verkorting door de
l groote kosten noodzakelijk wordt gemaakt.
j c. »Dat geene nadeelen bekend zijn, die uit
’ de beperking van het eiland zouden kunnen
i voortvloeijen.
l » Dat het behoud van het Noordelijk gedeelte
j niet noodzakelijk wordt geacht, en zulks op grond
_ en onder aanhaling en overlegging van een rap-
E, port van 1788 van zekere Heeren C. BRUNINGS,
Inspeetenr­Generaal, en L. DEN BERGER, Opzig-
j ter, zoo ook op de verklaring van den Heer
l Inspecteur van het' Loodswezen op de Zuiderzee,
à gegeven te Amsterdam den 6 Junij , en de
overblijvende ree niet alleen voor de seheep­
vaart voldoende zal blijven , maar zelfs nog meer
dan bij eene kunstmatig aangelegde, noodig zoude
; wezen of voorgesteld zoude worden.
ej
n `
1
1