HomeDe invloed der scheikunde op de ontwikkeling der pharmacotherapiePagina 10

JPEG (Deze pagina), 917.44 KB

TIFF (Deze pagina), 8.24 MB

PDF (Volledig document), 27.16 MB

8 lx
uitspraak: »que le remède s’en va", misschien eene voorspelling
voor de toekomst?
Eene beantwoording van die vragen zult Gij waarschijnlijk g
niet van den chemicus of toxicoloog verwachten, maar veeleer
van den clinicus, van den man, die zieken behandelt en genees-
middelen voorschrijft. Schijnbaar ligt het immers voor de hand,
dat alleen hij, die ervaring aan het ziekbed heeft opgedaan, over vgl
de waarde van geneesmiddelen kan oordeelen. Maar inderdaad
is dat toch het geval niet, en zijn er ook nog personen van l
andere studierichting, wier stem nu reeds over dit vraagstuk l
wordt gehoord, terwijl het te voorzien is, dat dit meer en meer
het geval zal worden naarmate de pharmacotherapie werkelijke N
vorderingen maakt. Verdeeling van arbeid is ook hier wensche­ t,
. lijk, ja zelfs noodzakelijk. Behalve van den elinicus, die den
Z invloed der geneesmiddelen op den zieke nagaat, zijn ook van
den pharmaeoloog of toxieoloog, die de werking dier stoffen op
gezonde menschen of dieren en op afzonderlijke organen of weet- tf
,,· sels bestudeert, alsmede van den chemicus, die zich bezighoudt lj
; met bereiding, eigenschappen, samenstelling en bouw der ‘.
geneesmiddelen, bijdragen tot de beantwoording dier vragen te A
verwachten. Daarom hoop ik ook, door den invloed der schei- ‘
kunde op de ontwikkeling der pharmacotherapie nategaan, iets ‘
te kunnen bijdragen tot die beantwoording. _
X/Vanneer wij onder geneesmiddelen in engeren zin de
stolïlelijke middelen verstaan, die door hunne onmiddellijke in-
werking op het zieke organisme de abnormaal gewijzigde levens-
verrichtingen weer tot den normalen, physiologischen toestand
terugbrengen, dan volgt daaruit ook, dat het wetenschappelijk li
karakter der pharmacotherapie niet alleen van onze kennis om-
trent de oorzaak en het wezen der te bestrijden ziekte afhangt, l
maar ook van onze kennis dier stollelijke geneesmiddelen, van
hunne samenstelling, structuur en eigenschappen. Bij eene j
vluchtige beschouwing van den stand dier kennis, sedert de l
vroegste perioden tot op onzen tijd, zal moeten blijken, of er al l
dan niet vooruitgang is te bespeuren, en of er wel een redelijke ä
grond bestaat voor het bovenbedoelde scepticisme.
Voor de talrijke leemten, die er in dat overzicht zullen wor- I B
V den opgemerkt, strekke mij ter verontschuldiging, dat de tijd,