HomeDe vrije uitoefening der geneeskunst of het artsenmonopolie?Pagina 54

JPEG (Deze pagina), 767.63 KB

TIFF (Deze pagina), 8.17 MB

PDF (Volledig document), 46.13 MB

lä '

_ ais
l `integendeel wier werk ten voordeeler strekte van meerderen. -
Ik meen, dat dus ook deze vraag beslist ontkennend moet
[i I worden beantwoord. .i V
`
l V VII.
I Besluit. V
l
De sterkste reden die tegen het artsen­monopolie pleit, wensch _`
ik nog onder het oog te zien. Het is er een van juridi­
j schen aard. i V
[ _, Aan de vraag immers of het artsen­monop0lie wel in het `
l belang. is van de wetenschap, van de volksgezondheid, van de ,
vrijheid van het individu en van de wetgeving (een reeks
` van regelen, die slechts dan gegeven moeten worden als men .
I ze kan handhaven), paart zich de vraag naar het recht. Welk
recht heeft de Staat om den persoon, die geen arts­examen
deed en geneeskunst uitoefent, 01zw7·.rchz`Zlzg welk rcszalimzi
gj ácrezki, te straffen? Heeft de Staat het recht straf te bedreigen I
tegen iemand, die in zijn bedrijf aan de zieken, die hij behandelt, `
genezing of verzachting in hun lijden brengt, alleen omdat de
A Staat hem niet het brevet heeft uitgereikt, om geneeskunst uit
_ te oefenen? Is het onjuist, wanneer de hoogleeraar in het strafrecht j
te Bonn, Dr. Heimberger 1) schrijft: `
gj <<De onhoudbaarheid van het geneeskundig beroepsrecht volgt
reeds uit zijne onduldbare consequentie: ieder, die niet arts
van beroep is, moet in straf vervallen als hij ter genezing ingrijpt,
al is dit ook nog zoo bekwaam geschied en met nog zoo ·
v ‘ gunstig gevolg bekroond>> en <<Het is in rechten volkomen het- V I
zelfde of mij de leek of de arts mijne gezondheid wedergegeven
of het ontstaan van grooter letsel van mij afgewend heeft».
fl Moet niet om straf bedreiging te rechtvaardigen, iets 0m’e·ckt­
vzzzziégs geschied zijn? Is dus eenerzijds straf n`iet gerechtvaardigd,
1) Vergleichende Darstellung des Deutschen und Auslïtndischen Strafrechts, 1908, ' *
i rv mz. 36 en 48.
(
H _
lg V V ` V I V ` V