HomeDe vrije uitoefening der geneeskunst of het artsenmonopolie?Pagina 19

JPEG (Deze pagina), 779.42 KB

TIFF (Deze pagina), 8.18 MB

PDF (Volledig document), 46.13 MB

a
»
l · e
1
13
aan de concurrentie van kwakzalvers."1) Maar `wij behoeveni
2 ons niet te beroepen op de uitingen van een lid van de 2<l¤ j
? Kamer. Een der weinige uitingen van de regeering is sprekend
` genoeg. De memorie van beantwoording van het verslag van W
de commissie van rapporteurs, o. a. bevattende de vraag of hier
U het eigen belang der geneeskundigen niet meer in het spel was
dan het belang der lijdende menschheid, zeide: >>De overheid
‘ stelt aan den geneeskundige gestrenge eischen van bekwaamheid ï
om het algemeen te waarborgen tegen de nadeelen van onbe-
a kwaamheid en ongeschiktheid. Moet daartegenover niet gewaakt
4 worden tegen uitoefening der geneeskunde door onbevoegden ?." 2)
. II. j
· ‘
De omvang van het verbod om geneeskunst uit te
l oefenen aan onbevoegden en de vèrstrekkende
opvatting van de jurisprudentie omtrent i
i dat verbod. j
E
i Slechts in één enkel opzicht kan men zeggen, dat de wet i
l van 1865 een beginsel, dat trouwens ook in de oudere wetten
scheen te liggen, uitdrukkelijk heeft opgenomen om de streng- i
§ heid van het monopolie te verzachten, het vereischte van het
; als bedrijf uitoefenen van de geneeskunst om strafbaar te zijn.
5 Ook hierin ziet men echter, dat wanneer werkelijk allcm het i
denkbeeld, dat <<leven en gezondheid van de ingezetenen niet l
i gewaagd moesten worden aan onbekwamen>> den wetgever had
bezield, de omstandigheid, dat het geen bedrijfsdaad was, niet .
den onbekwame (d. i. den niet als bekwaam geijkte) moest vrij-
stellen <<leven en gezondheid van de ingezetenen te bedreigen»
‘ door zijne behandeling. V
2 De bepaling dat men niet het bedrijf van geneeskundige mag »
i uitoefenen, doet zien dat het vooral te doen is om het bedrijf i
‘ 1) Opwijrda Geneeskundige wetten blz. 47S.i _
2) Opwijrda a. v. blz. 459.
I