HomeDe vrije uitoefening der geneeskunst of het artsenmonopolie?Pagina 17

JPEG (Deze pagina), 875.50 KB

TIFF (Deze pagina), 8.15 MB

PDF (Volledig document), 46.13 MB

z
1
l
ll -
sarissen zouden worden benoemd over de collegia chirurgica en
pharmaceutica en dat men verplicht was <<hangende de delibe-
_ ratien van het vertegenwoordigend lichaam over deze belangrijke
zaak de placcaten, ordonnantien en keuren stiptelijk na te komen.»
V 2O Maart 1804 publiceerde l1et Staatsbewind van de Bataafsche j
il Republiek, dat zij hadden de <<zorg dat aan niemand dan die
daartoe op eene wettige wijze de bevoegdheid verkregen hebben r
de uitoefening van eenigen tak der geneeskunst worde toever-
trouwd en om de onheilen zooveel mogelijk te voorkomen, p
welke uit onkunde of vermetelheid in dat vak voor de maat- l
T schappij voortvloeien>>.
1 Daarom werden commissies ingesteld om de examens af te
nemen, te voren voor stedelijke en andere collegien af te leggen, 1
voor heel- en vroedmeester enz. «in steden en te platten lande:>.
De medieinae doctoren moesten hun diploma doen viseeren.
Artikel 15 bepaalde: <<Alle andere onbevoegde of ongeexami­ 4
neerde personen, tegen de heilzame intentie dezer wet eenigen
tak der geneeskunde hoe ook genaamd exerceerende, zullen
i' voor de eerste maal verbeuren eene boete van 50 guldens met i
confiscatie hunner geneesmiddelen, voor de 2<l¤ maal achterhaald j
· wordende met een confinement van 6 weken, voor de gds reise
aan den lijve gestraft worden en uit den republiek verbannen".
Zoo was het monopolie hersteld op grond dat uit onkunde p
of vermetelheid geen onheilen voor de maatschappij mochten
voortvloeien, maar toch speelde het recht van de doctoren en
heelmeesters daarin een rol. Het blijkt reeds uit de bepalingen, 4
waarin aan de medieinae doctoren verboden werd hun praktijk in
· de heelkunde uit te oefenen in steden, waar de heelkunst mocht ‘
worden uitgeoefend alleen door de stedelijke heelmeesters, die
geen inwendige geneeskunst mochten beoefenen, evenals in de
tg dagen van het gildewezen.
1 Met de inlijving van ons land werd natuurlijk de franschc
ii wet op ons land toepasselijk en toen‘ons land weer onafhan-
kelijk werd, herstelde de Souveraine Vorst bij besluit van 2Q '
januari 1814 de wetgeving uit Noord­Nederland van 1804. Bij '
de wet van I2 Maart 1818, die daarop volgde, bleef de toestand
dezelfde. Ook bij deze wet wordt in de considerans gesproken `