HomeDe vrije uitoefening der geneeskunst of het artsenmonopolie?Pagina 15

JPEG (Deze pagina), 855.10 KB

TIFF (Deze pagina), 8.15 MB

PDF (Volledig document), 46.13 MB

l
9 2
` een monopolie van een groep leeken voor de uitoefening der J
geneeskunst uitgesloten, maar toen dit ophield werd het uitsluitend I
recht van het genootschap van medicinae doctoren en het gilde
van de heelmeesters, uit het gildewezen spruitende en door
menigvuldige Ikeuren bevestigd, hoe langer hoe krachtiger ge-
`{ handhaafd. De grondslag van het monopolie was gelegen in het
I gildewezen en het recht der universiteiten. Het monopolie
j berustte evenals bij alle gilden niet in de eerste plaats op de kennis, i
die de leden bezaten, maar op het recht, dat zij hadden als medi- j
1 cinae doctoren en als heelmeesters, op hun als recht erkend
belang. De kennis moge één der vereischten geweest zijn, 1)
g waardoor aspiranten als doctoren of heelmeesters werden inge-
j · _ schreven, hun zaitslziiiezzd recht wortelde in een gelijksoortige i
opvatting als het monopolie dat de leden van andere gilden
hadden.
I Op 4 juli 1776, toen in Noord­Amerika het Congres de onaf- .
l hankelijkheidsverklaring van Engeland uitvaardigde, werd daarbij
j opgenomen eene verklaring omtrent de rechten van den mensch, pl
waaronder viel de vrijheid van uitoefening van het beroep en
2 opheffing van het gildewezen. Alle uitsluitende rechten tot uit- j
J oefening van geneeskunst vervielen daarmede.
De Fransche revolutie hief eveneens het gildewezen op, en
i daarmede het uitsluitende recht van doctoren en chirurgijns tot .
uitoefening van de geneeskunst, ja een decreet van de Conventie
van 20` Maart 1794 ging eene geheel andere verderstrekkende
‘ richting uit door de universiteiten in Frankrijk op te heffen. 1
Zulk eene radicale doorvoering om de gelijkheid niet van recht ,
i maar van ontwikkeling te verkrijgen kon natuurlijk op den duur V
geen stand houden en deed slechts afbreuk aan de rechtsgelijk-
heid. Ondertusschen had, vóór de reactie tegen deze ideëen met
, de omwenteling kwam, ook in ons land de overwinning der
F· Franschen een onoverwinnelijken Franschen invloed gevestigd. Bij
J' de staatsregeling van 1 Mei 1798 werden in artikel 53 vervallen
verklaard <<alle gilden, corporatien of broederschappen van i

1) Ook het burgerschzip in steden enz. was een vereischte voor het opnemen ­
Van (IC 3.SPlT{llltCI`l.