HomeHeeft God dan maar één zegen?Pagina 7

JPEG (Deze pagina), 880.79 KB

TIFF (Deze pagina), 6.49 MB

PDF (Volledig document), 11.19 MB

_ 5 ..
` zame hoeveelheid gort tijdig genoeg bekomen kan, en over handen
f genoeg beschikken kan, als tijdelijk voorzieningsmiddel een° handpel-
molen in te voeren , die door twee man gedreven kan worden. Zulk
een molen, die ongeveer drie honderd gulden kosten moet, is in de
maak. Dc proefneming zal leeren, welk voordeel het oplevert.
V. Maar hoezeer al het genoemde zich aanprijst, de aardappel kan
_ toch niet gemist worden en hij is zoo vreesselijk duur. - Ja! `t
I valt niet te ontkennen, die aardappelziekte is eene volksramp in
j Nederland. VVelnul indien het eene volksramp is, dan moet zij ook
H als zoodanig gedragen worden, en elk Nederlander gevoel heb-
ben van die ramp. Dat heeft elk Nederlander niet, wanneer de
rijke zich tot elken prijs de beste aardappelen weet aan te schaffen.
Wat maakt het voor hem een niet noemenswaardig bezwaar uit, dat
hij voor den wintervoorraad aardappelen vijftig of honderd gulden
meer dan gewoonlijk te betalen heeft! - Daarom zijn er menschen,
- die dus redeneren : °t Is nu eenmaal gebleken, dat er te weinig goede
aardappelen zijn: wordt de voorraad over alle Nederlanders ver-
. deeld, dan bekomt ieder slechts eene kleine portie: koopen de rijke
lieden de goede op, dan blijven er niet dan slechte ‘over, die men
best zou doen weg te werpen of aan het vee te geven, maa1· die
dan door menschen zullen gebruikt worden en hunne gezondheid
grootelijks benadeelen: zijn er te weinig goede aardappelen, wclnul
dan moet een gedeelte der bevolking afstand doen van het eten van
aardappelen gedurende dezen winter. En wie worden tot het doen
van dien afstand het eerst en het meest geroepen? - De meervermo-
genden , de rijken , niet alleen de schatrijken, maar de cenigzins be-
middeldcn. En waarom juist zij? _
Omdat dit het schoonste offer van menschenmin is , dat men den be·
hoeftige en den handwerksman brengen kan. Indien men geld ge-
noeg heeft, wat beteekent het dan , dat _men zelf, bij een` welvoor­
zienen diseh, zich aan goede aardappelen vergastende, den arme
eenig geld geeft, om andere levensmiddelen te koopen? Mij dunkt,
jj men heeft er geen volle vrede bij. Niet geld vraagt de arme, aard-
j appelen verlangt hij. Maar onthoud ik mij zelv’ van aardappelen,
j vooral wanneer ik die bijzonder gaarne eet, dan geef ik het liefste,
wat ik heb, dan doe ik, wat ik kan. Er is van mij niets grooters te
ë vergen. Zoo de arme nog eenig gevoel heeft overgehouden, dan moet
hij deze mijne opoffering op prijs stellen. Van die het gebruik
I van den aardappel in dezen schaarschen en duren tijd geheel vaarwel-
zeg, kan hij leeren, ook van zijnen kant iets op te offeren, en zich
met eene kleinere hoeveelheid tweemaal in de week te vergenoegen.
Van mij kan leeren, zich naar omstandigheden, die niet te veran-
deren zijn , wijsselijk te schikken. Van heeler harte wensch ik daarom,
dat velen uit den meervermogenden stand zich, of opzettelijk, of stila
zwijgend vereenigen en verbinden, om geene of zeer weinige aardap­­