HomeHet onregtmatige, ondoeltreffende en hoogst-nadeelige der Armenwet, in hare bepalingen omtrent het domicilie van onderstandPagina 28

JPEG (Deze pagina), 656.35 KB

TIFF (Deze pagina), 5.76 MB

PDF (Volledig document), 30.22 MB

ao
verlangen, verlangen die niet alleen omdat er dan geluk- _
heid tusschen het kerkelijk en burgerlgk onderstands-
domicilie zou bestaan, maar in de eerste en voornaamste
plaats om cle bepaling zelve.
»Het aannemen van de verblüfplaats als burgerlük onder- i
stands­domioilie namelük, zou het van het restitutie­stelsel
verlossen en alzoo de armenbedeeling, voor zoover die van
wege de gemeente geschiedde , geheel brengen onder het
beheer dier gemeente tot wier laste zü was.
»Het is dan ook niet zoo zeer de vrüheid der kerkelijke
armbesturen op zich zelve, en waardoor zg desverkiezende
de armenbedeeling van zich kunnen afsehuiven, die men
sehünt te vreezen; maar het is die vrüheid, in verband
met bepalingen der wet, met name die betreffende de ver- ‘
pligte restitutie, waaraan men de ondervondene bezwaren
meent te moeten toeschrüven. Het is, omdat die vrijheid
om bedeeling te weigeren, het burgerlijk bestuur op de
verblijfplaats kan nopen, om die bedeeling niet voor eigen
rekening, maar voor rekening van derden, op zich te nemen,
en die derden alsdan tot restitutie gehouden zijn.
»Maar ­-­ is er gezegd ­-indien men de verblglplaats als
burgerlgk onderstands­don1ioilie aannam, zou het burgerlük
bestuur bg zgne ondersteuning van armen zich toch strikt
aan de bepaling der wet moeten houden; terwijl het echter
bg vele armen niet gemakkelük zou vallen, met juist- v
l heid te bepalen waar hunne verblüfplaats was, zonder we- i
l der te vervallen in de ongelegenheden, welke ondr de
J werking der wet van 28 November *1818 zoo luide klagten ;
deden ontstaan. i
j »Men zou hiertegen kunnen opmerken: vooreerst, dat de f
t ondervinding niet bewezen heeft, dat onze armenbevolking
j zulk eene rondzwervende bevolking zoude zgn, dat de meeste
l armen zonder verblüf zouden wezen; het tegendeel is waar.
Eene moeüelükheid , die men bg de toepassing van art. 44
t ondervindt, is juist daarin gelegen dat de arme bepaalde-
t li
t
al
i
lil
gti