HomeHet onregtmatige, ondoeltreffende en hoogst-nadeelige der Armenwet, in hare bepalingen omtrent het domicilie van onderstandPagina 22

JPEG (Deze pagina), 656.79 KB

TIFF (Deze pagina), 5.76 MB

PDF (Volledig document), 30.22 MB

20
nam, dan konde zg niet meer hand in hand gaan met de
kerkelijke, dan moest ieder zünen eigenen weg kiezen en
moest noodzakelpk het doel gemist worden.
Het getuigde dan ook van zeer weinig doorzigt en tevens
van eene groote verwarring van denkbeelden, toen de Mi-
nister in de memorie van beantwoording zeide: »De rege-
ring is van oordeel, dat, indien de wet in dit opzigt op de
kerkelijke armbesturen toepasselgk ware, de ongeneigdheid
der kerk om de geboorteplaats tot grondslag voor hare
ondersteuning te nemen, eene overwegende reden kon ge-
acht worden om inwoning gedurende eenen bepaalden tijd
daarvoor aan te wüzen. BQ het wegvallen van die reden,
acht zü het thans meest verkieslük, dat de geboorteplaats
de grondslag zü."
WU weten het, de wet is niet op de kerkelijke armbe­
sturen toepasselük, in zoo verre aan deze volkomene
vrübeid van handelen gelaten wordt, doch in dien zin zoude
men het zelfde van de gemeentebesturen kunnen zeggen,
aan wie de wetgever in beginsel de zelfde vrgheid van
bedeeling heeft willen verzekeren. Wanneer men echter
, in hoofdstuk II, eerste afd., van de omlerstezmirzg der
armen leest, art. 20: De ondersteuning der armen wordt,
behoudens de verdere bepaling dezer afdeeling, overgelaten
aan de kerkelijke en büzondere instellingen van welda-
digheid, en in art. 21: Geen burgerlijk bestuur mag
onderstand verleenen aan armen, dan na zich, zooveel A
mogelük te hebben verzekerd, dat zg dien niet van ker-
kelüke of büzondere instellingen van weldadigheid kunnen
erlangen, en dan slechts bü volstrekte onvermüdelijkheid;
i wanneer verder in de memorie van beantwoording de Minister
zegt: » De uitdrukking, dat de ondersteuning der armen
, aan de kerkelüke en büzondere instellingen van weldadig-
j heid wordt overgelaten, is geene ongepaste opdragt van
i iets waartoe deze een eigen regt hebben. Dat regt be-
[ staat; dat is den wetgever bewust, en hij neemt de