HomeHet onregtmatige, ondoeltreffende en hoogst-nadeelige der Armenwet, in hare bepalingen omtrent het domicilie van onderstandPagina 20

JPEG (Deze pagina), 651.90 KB

TIFF (Deze pagina), 5.76 MB

PDF (Volledig document), 30.22 MB

18 ·
aangevoerde voldoende het ongerümde te hebben aangetoond
van het denkbeeld, alsof de wetgever slechts te kiezen had
tusschen verschillende stelsels, en naar willekeur , met ter
züde stelling van alle regelen van ons staatsregt, den last
konde opleggen aan de gemeente welke hij goed vond. Ik meen
tevens het onregtmatige te hebben bewezen van de aanwü·
zing der geboorteplaats tot domicilie van onderstand van
elders wonenden, omdat er tusschen hen en die geboorte~
plaats als gemeente geenerlei staatsregterlük verband bestaat,
en deze noch voor hare veiligheid, noch voor hare rust ol`
welvaart eenig belang bp de bedeeling heeft. De eenige
ware grondslag van staatsarmenzorg ontbreekt mitsdien
voor die gemeente, als afzonderlük staatsligchaam; terwül
het bovendien in hare regten als zoodanig ingrüpt, dat de
burgemeesters van andere gemeenten over hare financiën
beschikken kunnen, ten einde de veiligheid, rust en wel-
vaart hunner eigene gemeente te beschermen.
II. Wij zullen thans, tot het tweede gedeelte van ons
betoog overgaande, het ondoeltreffende , en, bg, gevolg hoogst
nadeelige der door ons bestreden wetsbepalingen in het licht
zoeken t.e stellen.
Het hoofdbeginsel der wet, in art. 20 en Qi uitgedrukt,
en door de regering herhaaldelijk nader uiteengezet, is: de
ondersteuning der armen aan de kerkelijke en büzondere
i liefdadigheid over te laten, en de gemeenten slechts subsi- »
i diair en bü uitzondering daaraan te doen deelnemen.
Q Om dit doel te bereiken, lag het voor de hand, dat men
trachten moest, de bepalingen der burgerlüke armenwet in
l overeenstemming te brengen met die , welke wettelük en
i feitelijk voor de kerkelüke armbesturen bestonden. Deze
hadden bij hunne reglementen de plaats der inwoning als
[ domicilie van onderstand aangenomen, ii) en konden ook -
i *) Zie Reglement op de diaconie­adniinistratie bij de Nederland-
[ sche Hervormde Kerk, ingevoerd krachtens besluit van de Synode der
Nederlandsche Hervormde Kerk , van den 21 Jnlij 1852,