HomeVan burgerlijke staathuishoudkunde tot proletarische maatschappijleerPagina 15

JPEG (Deze pagina), 1.07 MB

TIFF (Deze pagina), 7.61 MB

PDF (Volledig document), 37.87 MB

T3
Ricardo’s grondrentetheorie en zijn daarop gebouwde belastingleer
hadden de directe bedoeling de bevoorrechte economische positie van
den grondeigenaarj aan te toonen en te bewijzen, dat de grondheer, bij
V toenemende bevolking en gelijkblijvende landbouwtechniek, een steeds
grooter deel van het agrarische product verkrijgt en dat dit bovendien
met de hoogere productiekosten aan de verlegde grens van de voort-
brenging per eenheid van product een steeds hooger wordenden prijs
opbrengt. En zijn zoeken naar niet afwentelbare grondbelastingen
en bedoelde, overeenkomstig het streven van de physiocratie, de grond-
` rente te kun·nen treffen. De ijzeren loonwet van Malthus en Ricardo
was niets dan de constateering van een waarheid voor de eco-n·omische
. ­ verhoudingen van zijn tijd, toen reeds de werkloosheid de loonen naar i
het bestaansminimum deed tendeeren en er nog geen proletarische actie
_ was om deze strekking tegen te gaan. En de beredeneering van die
ijzeren loonwet, in verband met de bevolkingstoename, was een
eenzijdige kapitalistische theorie, waarbij de ontzaglijke maatschappe-
lijke ellende van die dagen niet aan de kapitalistische productiewijze,
maar aan de procreatie van de menschheid werd geweten, waarbij aan
` den mensch, in het bijzonder aan den proletariër, beperking van een
` primaire neiging werd opgelegd nog vóór de vraag behoorlijk gesteld
en bea.ntwoord was of misschien aan de uitstooting van de arbeids-
kracht, door technische verbeteringen in de kapitalistische productie-
wijze, de oorzaak van de zoogenaamde overbevolking en van de maat-
. schappelijke ellende moet worden gezocht, een opvatting waaraan
Ricardo pas in de derde uitgave van zijn ,,Principles" eenige aandacht
_ schonk, terwijl hij ook toen nog allerminst aan een verandering van
· de economische verhoudingen in plaats van aan een beperking van
j één der primaire menschelijke neigingen dacht. De oudliberale ·
theorie van de noodzakelijkheid van sterke kapitaalvorming en in
verband hiermee de aanmoediging van het sparen, hield ­- evenals de j
vrijhandelstheorie -­ ten nauwste verband met de nog onbelemmerde
afzetmogelijkheid binnen- en buitenslands en het alom gevoelde tekort
. aan kapitaal. En toen in 1815 de eerste beteekenende afzetcrisis zich .
voordeed, toen was het Ricardo, die met zijn theorie, dat de koop-
` krachtige vraag de productie volgt, dat er geen a l g e m e e n e doch
i slechts een partieele overkapitalisatie en overproductie kan zijn, waar-
tegenover onderkapitalisatie en onderproductie elders staat, de
afzetcrisis niet als een essentieel gebrek van het kapitalisme, maar uit
den overgang van oorlog naar vrede trachtte te verklaren.
Intusschen stond het klassieke liberalisme aan allerlei critiek bloot. j
Bij de teleurstelling, die het ongebreidelde kapitalisme met zijn bezits- t ,
l voorrechten, zijn ellende, zijn bestaansonzekerheid, zijn weinige 1