HomeVan burgerlijke staathuishoudkunde tot proletarische maatschappijleerPagina 14

JPEG (Deze pagina), 1.10 MB

TIFF (Deze pagina), 7.61 MB

PDF (Volledig document), 37.87 MB

l ‘ .
F c IZ .. ‘
i en achterlijkheid berustenden wantoestand beschouwd. Men kon zich
niet in-denken in de betrekkelijke waarde van vroegere maatschappelijke
Q . verhoudingen en van de daarbij behoorende opvattingen. De theorieën
i omtrent de maatschappelijke verandering, die bijv. door Montesquieu ‘
j en Condorcet werden opgesteld, waren theorieën omtrent den
j _ v o o r u i t gang naar het kapitalistische e i n d doel, dat toen het
‘ voelen en denken van de leiden·de persoonlijkheden der opkomende
i kapitalistische klasse geheel in beslag nam, en staan nog ver van de
pi latere evolutionistische beschouwingswijze, waarin een dóórgaande Q
i ontwikkeling op economisch en ideologisch gebied wordt erkend en ­
i alle economische en ideologische verschijnselen in het historische
i verband worden gewaardeerd. _
V pg De boven de sociaal economische uitgaande, algemeen sociologische · i
ï beschouwingen van het opkomende grootkapitalisme werden nog over-
l wegend in juridische, philosophische en historische werken gegeven. i
F Een algemeene maatschappijleer, als eenheid van alle sociale weten-
j schappen, bestond nog niet. De sociale economie beheerschte, juist
j omdat men het maatschappelijke gebeuren uit primair economische
motieven meende te kunnen verklaren en aan de ideologieën weinig y
j ~ invloed toekende, haast het geheele terrein der maatschappijleer. De ·
` sociale economie was nog staathuishoudkunde, had haast uitsluitend
ten doel voor regeerders in het algemeen staatsonthouding en positieve
i regelen voor de belastingheffing vast te stellen. Zij was nog geen 4
‘ wetenschap, die evengoed voor ondernemers, philantropen, voor allen,
‘ die met een belangrijke functie midden in het maatschappelijke leven i
staan, als zoodanig van belang werd geacht.
De klassiekliberale staathuishoudkunde, die op het mercantilisme en , E
de physiocratie volgde, kwam met haar détailtheorieën ver boven de
laatst ge·noemde school uit. Vooral in Engeland, waar met de snelle 1
ontwikkeling van het kapitalisme de behoefte aan maatschappijanalyse
jl sterk werd gevoeld en, tot ergernis van de kapitalisten, aan de grond-
_' . heeren een steeds toenemend deel van het maatschappelijk product
ipj toeviel, kwam het verdeelingsprobleem met zijn waardeanalyse en zijn _
, daarop gebouwde theorieën omtrent arbeidsloon, kapitaalprofijt en
çäïg 'grondrente sterk naar voren. De arbeidswaardeleer, die bij de een- ·
voudige warenproductie, waarbij kapitaalprofijt en grondrente nog niet ‘
of slechts in onbeteekenende mate voorkwamen, veel aanhang had
gevonden, werd - ik kom hier in tegenspraak met de opvatting van
Marx - door Smith en Ricardo feitelijk vervangen, respectievelijk
door een ,,vraag- en aanbod"theorie en een productiekostenleer, die
rekening hielden met de storing van den ruil volgens arbeidsquanta
door kapitaalprofijt en grondrente in het ontwikkelde kapitalisme.
`
l T ‘

. j
’3§i.c - '