HomeOpbrengstvermeerdering in den boschbouwPagina 15

JPEG (Deze pagina), 894.91 KB

TIFF (Deze pagina), 7.78 MB

PDF (Volledig document), 19.94 MB

13
arbeid per eenheid van oppervlakte. Bij de productie zij niet alleen
ons streven gericht op het scheppen van een zoo gunstig mogelijke
verhouding tusschen kapitaal en opbrengst, maar evenzeer moeten
wij pogen een zoo groot mogelijk kapitaal op deze wijze in het bedrijf
vast te leggen.
Bij het boschbedrijf is een dergelijke vermeerdering van kapitaalge-
bruik, die haast zonder uitzondering tot opbrengstvermeerdering leidt,
mogelijk in den vorm van verbetering van transportgelegenheden.
Ik mag daarbij als bekend onderstellen, dat verreweg het grootste
deel van de bosschen op aarde niet in staat is eenige opbrengst of
slechts een minimale opbrengst te geven, tengevolge van de ongun-
stige ligging ten opzichte van de houtverbruikende centra.
Hout is een massaal product, waardoor vanzelfsprekend het
transport relatief duur wordt. Het laat zich niet als landbouw-
producten in willekeurige kleine quanta verdeelen, die zich aan-
passen aan bestaande transportmogelijkheden. Als regel, bijna Zonder
uitzonderingen, neemt het hout per kubieke eenheid in waarde af,
naarmate de afmetingen kleiner zijn, daarbij dikwijls het nulpunt
bereikend. Aannemende dat houtwerken met een inhoud 2a verkoop-
baar zijn, zulke met een inhoud a echter niet meer, zal elk bosch-
gebied, dat slechts over transportmogelijkheden voor a beschikt,
al bevat het nog zooveel en nog zulke kostbare houtsoorten, tot
improductiviteit gedoemd zijn. Daarin is slechts verandering te
brengen door verbetering van verkeersmiddelen.
Deze beschouwing iets uitbreidende, komt men van zelf tot het
juiste besef, dat de rentabiliteit van een boschbedrijf te eenenmale
afhankelijk is van de mogelijkheid van het transport van hout in zijn
meest waardevollen vorm en dat daarvoor transportmogelijkheden
van zeer groote capaciteit onvermijdelijk zijn. Zoolang die ontbreken,
wordt de opbrengst gelimiteerd door de geboden transportmiddelen.
Als voorbeeld moge gelden, hetgeen ENDRES (Forstpolitik) Zegt
over de houtprijzen in Pruissen vóór en na de ontwikkeling van het
spoorwegnet. De verhouding tusschen den hoogsten en laagsten
houtprijs bedroeg:
·· in 1855 (vóór gereedkoming spoorwegnet) 100 :453;
in 1912 (ná ,, ,, ) 100 : 185.
Vergelijkt men hiermede het niet massale product rogge dan be-
droegen hiervoor deze verhoudingscijfers:
in 1856 100 :134; in 1912 100 :109.
Hoezeer deze verschillen in bergachtige landen nog veel grooter
kunnen zijn moge blijken uit cijfers voor Beieren, waar in 1860 de
verhouding tusschen het duurste en goedkoopste hout, tengevolge