HomeOpbrengstvermeerdering in den boschbouwPagina 13

JPEG (Deze pagina), 878.87 KB

TIFF (Deze pagina), 7.76 MB

PDF (Volledig document), 19.94 MB

11
per vlakte­eenheid tengevolge heeft, moet min of meer als een ge-
lukkig toeval worden beschouwd.
Raadpleegt men de bestaande opbrengsttafels voor de voornaamste
Europeesche naaldhoutsoorten, dan ziet men, dat b.v. bij den
grove-den op middelmatigen grond (3e boniteit) de totaal geprodu-
ceerde houtmassa in een 100-jarigen opstand 624 M3 per H.A.
jj bedraagt, op 140­jarigen leeftijd 760 M3 1). In het 100-jarige bosch
lj is dus per jaar gemiddeld 6,2 M3 geproduceerd, in het 140-jarige
3
H bosch daarentegen slechts 5,4 M3, d.i. 13 "/0 minder.
l Voor den 80- en 130-jarigen sparrenopstand bedragen deze
cijfers resp. 10,1 M3 en 9,7 M3.
Daar men mag vermoeden, dat het zwaardere hout per massa-
eenheid een grootere geldswaarde zal vertegenwoordigen, behoeft
de kleinere jaarlijksche productie aan houtmassa in het oudere
bosch niet noodzakelijk een geringere geldopbrengst te beteekenen.
Toch wordt dit meer en meer het geval, aangezien de houtmarkt
de zware sortimenten langzamerhand minder gaat waardeeren. De
triplex- en andere industrieën maken voor vele doeleinden het zware
hout overbodig.
Men zou zich nu kunnen voorstellen, dat tengevolge van de grootere
massa­aanwas in de jongere bosschen de gewenschte verhouding
tusschen kapitaal en opbrengst wordt bereikt op een leeftijd, dat de
kapitaalwaarde nog gering is, d.w.z. op jeugdigen leeftijd van den
opstand. De oogst kan dan ten opzichte van dit kleine kapitaal rela-
tief groot zijn, hoewel de reëele waarde daarvan gering is. Tot een
dergelijke veronderstelling bestaat te eer aanleiding, wanneer men
. bedenkt, dat de gemiddelde jaarlijksche bijgroei aan houtmassa op
betrekkelijk jongen leeftijd (bij den grove-den op ongeveer 50 jaar,
bij den djati reeds op 15 à 20 jaar) zijn maximum bereikt en daarna
afneemt. Op deze leeftijden is echter het hout in groote hoeveelheden
‘ niet marktwaardig. De prijs per massa-eenheid is zóó laag, dat dit
Q tekort niet kan worden goedgemaakt door een grooten aanwas.
T Nu gaat gelukkig die afname van den jaarlijkschen bijgroei in
lj een veel langzamer tempo dan de toename, de lijn is een zeer sterk
3 afgeplatte scheve kromme. 3)
1) ScHwAPPAc1-1: Ertragstafeln 1912.
3) Gemiddelde jaarlijksche dikhoutaanwas 2° boniteit:
Grove­den Djati
25 jaar 2,6 M3 5 jaar 6,6 M3
50 jaar 4,6 M3 (max.) 15 jaar 9,8 M3 (max.)
75 jaar 4,1 M3 30 jaar 9,1 M3
100 jaar 3,6 M3 50 jaar 7,9 M3
75 jaar 6,7 M3