HomeOpbrengstvermeerdering in den boschbouwPagina 11

JPEG (Deze pagina), 961.50 KB

TIFF (Deze pagina), 7.76 MB

PDF (Volledig document), 19.94 MB

9
in dat bosch steeds 100-jarig hout te oogsten, dus op den duur een
100-jaarsserie te verkrijgen, dan moet hij hiervan jaarlijks 12 H.A.
kappen en opnieuw beplanten. Wenscht hij echter 150-jarig hout
te oogsten, dan moet de jaarlijksche kapvlakte 8 H.A. bedragen, --
is de productie van 60-jarig hout gewenscht, dan valt er ieder jaar
20 H.A. te oogsten.
Het ligt voor de hand, dat de hout- en geldopbrengst van 8 H.A.
150­jarig hout niet dezelfde behoeft te zijn als die van 12 H.A.
100-jarig hout of die van 20 H.A. 60-jarig hout. Integendeel, die
opbrengsten zullen verschillen, maar wat van meer belang is, de
verhoudingen tusschen deze opbrengsten en het houtvoorraad-
kapitaal zullen in al deze gevallen sterk uiteenloopen.
De eerste- stap op den weg der opbrengstregeling moet daarom
zijn de vaststelling van een kapleeftijd, waarbij de verhouding
tusschen kapitaal en opbrengst de denkbaar gunstigste is. Gezocht
moet dus worden de leeftijd, waarbij de opbrengst ten opzichte van
het kapitaal zoo groot mogelijk is, hetgeen natuurlijk niet zonder
meer in zich sluit, dat de opbrengst, op zichzelf beschouwd, een
maximum is.
Vertegenwoordigt b.v. een boschbedrijf met hoogen ,,omloop"
een kapitaalwaarde van f 250.000 en geeft het een opbrengst van
f 5000.-, d.i. 2 %, dan staat zoo’n bedrijf achter bij één, dat uit
jongere opstanden bestaat en slechts f 3000.- oplevert, zoo de
kapitaalwaarde tegenvolge van het gemis van oude opstanden slechts
f 100.000 bedraagt. Hier wordt immers een rente van 3 % bereikt.
Er moet een optimale verhouding bestaan tusschen kapitaal en
opbrengst. Die op te sporen is in de eerste plaats onze taak, en lang -
heeft het geduurd voor men dit criterium heeft herkend, en naarstig
is gaan zoeken naar de mogelijkheid, ook in het boschbedrijf de
rente van het kapitaal te onderscheiden en de verhouding daartusschen
zoo gunstig mogelijk te maken.
· In het midden van de vorige eeuw gelukte het Duitsche boschbouw-
kundigen, waarvan ik slechts noem Kömc en FAUSTMANN, deze
criteria, met alles wat verder daarbij te pas komt, vast te leggen in
een formule, die ons in staat stelt te berekenen, waar, economisch
beschouwd, de meest gewenschte kapleeftijd is gelegen.
Ik zou mij gaan begeven op het gebied van mijn collega BEEKMAN,
als ik hier de Faustmannsche en daaruit afgeleide formules nader
ging bespreken. Ik moge volstaan met de mededeeling, dat voor deze
formule bepaald moet worden: a. de te verwachten opbrengst aan
hout en geld op verschillende leeftijden, b. de verschillende voor-
opbrengsten, door uitdunning en andere houtteeltkundige maat-
regelen te verkrijgen, c. de cultuurkosten, d. de beheerskosten.
a. en b. laten zich moeilijk, - c. en d. makkelijker berekenen.