HomeOpbrengstvermeerdering in den boschbouwPagina 10

JPEG (Deze pagina), 0.97 MB

TIFF (Deze pagina), 7.76 MB

PDF (Volledig document), 19.94 MB

8
kleinen, of de opbrengst vergrooten. Langs beide wegen werden bij
het boschbedrijf belangrijke resultaten bereikt.
Eenvoudig is echter het bereiken van uitkomsten langs deze wegen
niet.
De grootste moeilijkheid is wellicht gelegen in het in natura leeren
onderscheiden van kapitaal en opbrengst. Immers is de hoofdop-
brengst van een boschbedrijf,,hout"en bestaat het kapitaal, zooals wij
zagen, eveneens voor verreweg het grootste deel uit ,,hout", dat voor
een gedeelte, zelfs wat kwaliteit en afmetingen betreft, niet verschilt
van het hout, dat wij als product oogsten.
Het product, de kapitaalrente, is dus dat gedeelte van het hout,
dat jaarlijks bijgroeit aan het voor de productie noodzakelijke
houtvoorraadkapitaal, maar geen middel staat ons ten dienste om
dezen bijgroei in dien vorm te onderkennen, laat staan te oogsten.
Stel ik deze kwestie op de meest eenvoudig, zij het daardoor niet
geheel juiste, wijze voor, dan zou ik U willen verplaatsen in een regel-
matige serie opstanden, waarvan de jongste 1 jaar en de oudste
100 jaar, en oogstbaar is. In alle opstanden neemt jaarlijks de hout-
massa toe en deze gezamenlijke toename is gelijk aan de houtmassa
in den thans honderdjarigen opstand. Oogst ik dus jaarlijks het
honderdjarige hout, dan oogst ik juist de rente van het kapitaal,
aannemende dat het bedrijf zoodanig geregeld is, dat tot in lengte
van dagen jaarlijks een gelijke uitgestrektheid bosch honderdjarig,
dus oogstbaar, wordt.
Dit is, gelijk gezegd, wel een eenvoudige, maar geen geheel juiste
voorstelling van zaken, o.m., omdat ik daarbij geen rekening hield met
de zgn. ,,vooropbrengsten" door uitdunningen e.d.
Ik bespaar u overigens alle wetenschappelijke en technische uiteen-
zettingen over die onjuistheden, maar wijs alleen op de omstandig-
heid, dat reeds hierom de kwestie nooit zoo eenvoudig kan zijn,
aangezien men zelden of nooit een boschbedrijf zal aantreffen,
waarin de verschillende opstandsleeftijden zoo regelmatig verdeeld ยท
zijn. Eene dergelijke regelmatigheid is trouwens, zooals vanzelf
spreekt, op zijn vroegst te bereiken na deskundig boschbeheer ge-
durende een aantal jaren gelijk aan den leeftijd van het kaprijke
bosch, dus in het zooeven gekozen voorbeeld, op z'n vroegst na
100 jaar.
In werkelijkheid komen wij bij nieuw te scheppen boschbedrijven
steeds te staan voor een bosch, waarin deze regelmatigheid nog moet
worden aangebracht, en de eerste vraag, die zich dan aan ons voor-
doet is deze: op welken kapleeftijd moet men rekenen bij het streven
naar de noodzakelijke regelmatigheid (ouderdomsklassenverhouding) ?
Stelt u voor, geachte hoorders, een boschcomplex van 1200 H.A.,
nimmer van te voren deskundig behandeld. Is de bezitter voornemens
l