HomeVerslag van de studiereis ter kennismaking met nieuwere gereedschappen voor en methoden van bewerking der boschgronden in N.O.-DPagina 17

JPEG (Deze pagina), 1.13 MB

TIFF (Deze pagina), 8.15 MB

PDF (Volledig document), 37.69 MB

Afgezien van het vaste­landsklimaat is de geringe ophooping
van humus stellig te danken aan: j
· 1. den betrekkelijken rijkdom,
2. de watercapaciteit, A
3. de vochtigheidstoestanden dezer gronden, terwijl de grasvege·
tatie meewerkt om de aanwezige organische resten te doen verteren.
De bosschen bestaan bijna steeds uit zuiver grove-den. Eerst
in de latere jaren heeft men ingezien, dat de leem- en mergel­
gronden, en wat daarmee ongeveer gelijk gesteld kan worden, i
beter in eikenbosch zijn te leggen.
Door de meerkollen worden de grove­dennenbosschen, voor
zoover de bodem niet al te dor is, met beuk, resp: eik onderzaaid. A
Ook slaat onder bepaalde omstandigheden grove-den op (Bärent- -
horen, Eberswalde), resp. kan deze kunstmatig onder de moeder-
boomen tot ontwikkeling worden gebracht [Hohenlübbichow). Dit
optreden van natuurverjonging regelt zich nu eenerzijds naar de
vochtigheid van den bodem, anderzijds naar de concurrentie met
, de bodemflora en den lichttoevoer. Hieraan is toe te schrijven, dat
in groep 2 de opslag van beuk en eik overheerscht, terwijl op de
Q iets armere gronden, voor zoover de vochttoestanden dit toelaten, A
j` grove­den opslaat en tot ontwikkeling komt. ,
j Bij de groote kaalkapvlakten is het echter veelal niet mogelijk
l loofhout te kweeken, van wege onkruid en vorstgevaar. Daar moet "
j ` men zich dus gewoonlijk voorloopig wel tot grove­den bepalen.
In den regel komen ondoorlatende leemlagen op meer of minder
diepte in den bodem voor. De bodemkwaliteit hangt over groote
oppervlakten ten nauwste samen met die meer of mindere diepte der g
ondoorlatende lagen in verband met het daaroverstroomende grond-
water [WITTICH). Dit is niet alleen zuurstofrijk, doch ook mineraal­rijk.
Tot de groeiplaatsomstandigheden behoort met het oog op de Q
j grondbewerking ook min of meer de aanwezigheid van boomstammen,
resp. stobben en wortels. Aangezien de grondbewerking voor den
l onderbouw gewoonlijk eerst volgt in oud-bosch en nadat daar W
nog de noodige stammen zijn weggenomen, is er gewoonlijk vol-
doende ruimte om met de machines tusschen de stammen door te
rijden. Van meer beteekenis zijn de stobben, zelfs als de stammen
‘ laag bij den grond zijn afgezaagd. De stobben vormen inderdaad .
eene ernstige hindernis bij de grondbewerking. Hierachter zal J
I daarop worden teruggekomen. Slechts in bijzondere gevallen worden
g de stobben gerooid. j
j a 15
I
I