HomeBeschouwingen betreffende de ontginning en de bebossching in de provincie NoordbrabantPagina 7

JPEG (Deze pagina), 945.99 KB

TIFF (Deze pagina), 6.56 MB

PDF (Volledig document), 49.75 MB

‘¤
7
De lage prijzen in deze periode deden natuurlijk aan den lust tot
ontginning van woesten grond geen goed.
De crisis had echter ook hare goede zijde. Zoowel de Regeering
als ­de landbouw zelve werden uit den donrmael, waarin ·zij door den
,,gouden tijd" van 1850-{1877 geraakt waren, opgeschrikt. De Re-
geeringszorg voor den landbouw nam toe, zooals blijkt uit de instel-
ling van eene Stääbsl&l1(l`l30llWCOIIllII11SS1€ in 1886, de benoeming van
een Inspecteur van het Landbouwonderwijs in 1892 en de instelling
in 1898 van de Directie van den Landlbouw met als hoofd een Direc-
teur-Generaal van den Landbouw en eindelijk de oprichting van een .
afzonderlijk Departernent van Landbouw, Handel en Nijverheid in
‘ 1905.
In deze periode valt verder vooral de toepassing van de landbouw-
wetenschap op de praktijk, die zich vooral daarin uit, dat de pro-
ductie-kosten per eenheid lager worden.
Het is in dit opzicht vooral het gebruik van de kun-stmeststoffen,
dat .hierbij een voorname rol heeft gespeeld. Tot dusverre was de
ontginning tot bouwland gebonden aan de hoeveelheid stalmest, die
l ­daarvoor kon worden gemist; door de kunstmest werd de mogelijk-
? heid geschapen om veel grootere oppervlakten woesten grond tot
1 bouwland te ontginnen, die vroeger moesten blijven liggen. Ook be-
l hoefden geen gronden meer woest te blijven voor het vormen van
¤ plaggeunest en werd ook groenbemesting mogelijk.
; Ook de belangstelling van particuliere zijde nam door de vermeer-
dering van land- en boschbouwkundige kennis en de p-opulairiseering
daarvan toe. Krachtig heeft hiertoe medegewerkt de oprichting der
l Ned. Heide Maatschappij in 1888, waarvan immers een der voor-
‘ naamste doeleinden is het bevorderen in den! rui­msten zin van de
à ontginning van _woeste gronden. In ’t kort, de geheele conjunctuur
K werd in gunstigen zin veranderd en daarmede steeg ook wederom
, de lust tot ontginning in belangrijke mate.
” Opnieuw zou echter de goede gang van ·zaken gestoord worden
j en wel ditmzaal door den wereldoorlog. Gebrek aan arbeidskrachten
Q en kunstmeststoffen, gepaard aan stijgende loonlen, remden in ·die
jaren de ontginning van woesten grond zeer. Aanvankelijk bleef de
lust tot ontginnen nog wel bestaan, omdat de prijzen der landbouw-
producten en die der gronden opliepen. Ook gaven de hooge houtprij-
j zen aanleiding tot veel vellingen en werden de opbrengsten daarvan
dikwijls deels aangewend om heide tot bouw- en grasland aan te
j leggen.
j Niettemin verminderde de ontginning van woesten grond aan-
Q zienlijk; voor Noorvdbrabant valt het minimum in 1917 terwijl dat
ä voor geheel Nederland in 1918 is gelegen. Na deze jaren heeft weder-
1 om eene korte opleving plaats; toen de meststoffen gemakkelijker
_ en goedkooper verkrijgbaar werden, de arbeidskrachten in ruimere
-1